Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-08-18
ECLI:NL:CBB:2026:374
belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. De onderneming heeft geen persoonlijk belang bij de tarievenbesluiten GTS. Het belang is niet voldoende onderscheidend ten opzichte van andere afnemers die gebruik maken van het interconnectiepunt. Er zijn namelijk nog andere gebruikers. Verder hebben de tarievenbesluiten GTS voor alle afnemers hetzelfde gevolg. Het is niet voldoende onderscheidend dat het tarief voor de onderneming mogelijk een andere impact zal hebben vanwege haar overeenkomst met GTS. uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 25/66 en 25/839 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaken tussen Luminus N.V., te Sint-Joost-ten-Node, België (onderneming) (gemachtigden: mr. J.E. Janssen en mr. T.H.G. Kok) en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) (gemachtigden: mr. T. Sahabi, mr. S.A. Broodman en N.C. Kolk) met als derde partij Gasunie Transport Services B.V. (GTS) (gemachtigden: mr. M.L. de Vries Lentsch en mr. P.W. Post) Procesverloop in beroep De onderneming heeft tegen het besluit van 28 november 2024 van de ACM beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 25/66. De onderneming heeft tegen het besluit van 26 mei 2025 van de ACM rechtstreeks beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 25/839. De ACM heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend. GTS heeft over beide zaken een schriftelijke uiteenzetting gegeven. In beide zaken heeft de ACM, over een aantal stukken die zij verplicht is te overleggen, meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Met de beslissing van 26 mei 2026 heeft het College geoordeeld dat de gevraagde beperking van de kennisneming voor een deel van de stukken gerechtvaardigd is, voor een ander deel was dat niet gerechtvaardigd. De ACM heeft deze stukken opnieuw ingediend, zonder mededeling dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Verder heeft de ACM de stukken naar de andere partijen gestuurd. Alle partijen hebben het College toestemming verleend om mede op grondslag van de vertrouwelijk gehouden stukken uitspraak te doen. De zitting was op 9 juni 2026. Naast genoemde gemachtigden hebben voor Luminus, [naam 1] , en voor GTS, [naam 2] , aan de zitting deelgenomen. Inleiding 1.1 De onderneming, gevestigd in België, is een leverancier van aardgas en elektriciteit met Belgische afnemers (huishoudens en kleine en middelgrote bedrijven). 1.2 Op 7 maart 2011 heeft de onderneming met GTS een overeenkomst afgesloten voor exit-transportcapaciteit voor laagcalorisch gas op het interconnectiepunt Hilvarenbeek met als doel dit gas te leveren aan de Belgische afnemers. De onderneming en GTS zijn een vaste transportcapaciteit overeengekomen. De overeenkomst is een duurovereenkomst en heeft een looptijd van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2030. Vanwege de uitfasering van het laagcalorisch gas en versnelde ombouw van het gebruik van laagcalorisch naar hoogcalorisch gas in België, kan de onderneming vanaf 1 oktober 2024 de exit-transportcapaciteit voor dit gas op het interconnectiepunt Hilvarenbeek niet meer gebruiken voor levering aan haar afnemers. Omdat de langetermijnovereenkomst geen mogelijkheid heeft tot tussentijdse beëindiging of wijziging, heeft dit volgens de onderneming tot gevolg dat zij een verlies van ongeveer € 36,7 miljoen lijdt. 1.3 Met het besluit van 24 mei 2024 (tarievenbesluit GTS 2025) heeft de ACM de tarieven vastgesteld die GTS voor het jaar 2025 in rekening mag brengen voor het uitvoeren van haar wettelijke taken. De onderneming heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De ACM heeft met het besluit van 28 november 2024 de bezwaren van de onderneming ongegrond verklaard. Met het besluit van 26 mei 2025 (tarievenbesluit GTS 2026) heeft de ACM de tarieven vastgesteld die GTS voor het jaar 2026 in rekening mag brengen voor het uitvoeren van haar wettelijke taken. 1.5 Met het besluit van 28 november 2024 en met het besluit van 26 mei 2025 is de onderneming het niet eens. Zij heeft daartegen dus (rechtstreeks) beroep ingesteld. De beroepsgronden van de onderneming komen er in de kern op neer dat de ACM ten onrechte vasthoudt aan haar standpunt om niet te differentiëren in de tarieven die GTS mag rekenen voor exitcapaciteit. Voor het interconnectiepunt Hilvarenbeek zou een apart tarief moeten worden vastgesteld. Beoordeling van het beroep 2.1 Allereerst is de vraag aan de orde of de onderneming belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de besluiten waartegen zij rechtsmiddelen heeft ingediend. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en licht dit hieronder toe. Is de onderneming belanghebbende? 2.2 Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende moet volgens de rechtspraak sprake zijn van een eigen, persoonlijk (dat wil zeggen: voldoende onderscheidend), objectief bepaalbaar, actueel en voldoende zeker belang, dat bovendien rechtstreeks bij het besluit is betrokken. 2.3 Volgens de onderneming is haar positie ten opzichte van andere afnemers op het interconnectiepunt Hilvarenbeek anders en daarmee voldoende onderscheidend. Zij heeft namelijk een zeer grote hoeveelheid exitcapaciteit gecontracteerd voor een zeer lange periode, tot en met 2030, voor de export van laagcalorisch gas naar haar afnemers in België, zodat zij onevenredig hard wordt geraakt door de vervroegde sluiting van het Groningenveld en de daaraan gekoppelde vervroegde uitfasering van het laagcalorisch gas in België. 2.4 Het College is van oordeel dat de onderneming geen persoonlijk belang heeft bij de tarievenbesluiten GTS. Het belang is namelijk niet in voldoende mate onderscheidend van het belang van andere afnemers die gebruik maken van het interconnectiepunt Hilvarenbeek. Allereerst is voor het College komen vast te staan dat er naast de onderneming nog andere afnemers zijn op het interconnectiepunt Hilvarenbeek, te weten drie andere afnemers van laagcalorisch gas en tien andere afnemers van hoogcalorisch gas. Gelet hierop kan het beroep van de onderneming op de uitspraak van het College van 17 januari 2008 (ECLI:NL:CBB:2008:BC3412) niet slagen. Uit die uitspraak blijkt namelijk dat de bedrijfsspecifieke situatie van die onderneming én het feit dat met het besluitonderdeel waartegen die onderneming zich richtte uitdrukkelijk werd beoogd om de positie van die onderneming te wijzigen ten faveure van anderen, hebben geleid tot het oordeel dat die onderneming belanghebbende was bij dat besluit. Dat is hier niet aan de orde. Verder hebben de tarievenbesluiten GTS voor alle afnemers op het interconnectiepunt Hilvarenbeek hetzelfde gevolg. Alle afnemers worden namelijk met hetzelfde tarief, dat volgt uit die tarievenbesluiten GTS, geconfronteerd. Gelet op dit algemene karakter van de tarievenbesluiten GTS is het niet voldoende onderscheidend dat het tarief voor het interconnectiepunt Hilvarenbeek voor de onderneming mogelijk een andere impact zal hebben, omdat de onderneming een overeenkomst met een zeer grote capaciteit en voor een langere duur met GTS heeft afgesloten en alleen kan leveren aan Belgische afnemers (zie ook de uitspraak van het College van 10 december 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:902) onder 6). Bovendien heeft GTS in dit verband onweersproken aangevoerd dat de onderneming niet de enige partij is die een duurovereenkomst heeft gesloten waarbij, door veranderde marktomstandigheden, het risico speelt dat de behoefte aan transportcapaciteit afneemt. Slotsom 3.1 Dit betekent dat de ACM het bezwaar van de onderneming gericht tegen het tarievenbesluit GTS 2025 ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Het College zal het beroep daarom gegrond verklaren, het besluit van 28 november 2024 vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren. 3.2 Verder betekent dit dat het College het rechtstreeks beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.