Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-08-11
ECLI:NL:CBB:2026:364
Boete en intrekking derogatievergunning vanwege overschrijding gebruiksnormen. Geen strijd met vertrouwensbeginsel, mondelinge toezegging niet aannemelijk gemaakt. Diercategorieën juist bepaald. Hoogte boete evenredig. Intrekking derogatievergunning evenredig. uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 24/544 en 25/559 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaken tussen Maatschap [naam 1] en haar maten [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , te [vestigingsplaats] (maatschap) (gemachtigde: mr. N. Bouwman) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. M. Leegsma) Procesverloop in (hoger) beroep 24/544 De maatschap heeft tegen het besluit van 13 mei 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld. De maatschap heeft nadere stukken ingediend. 25/559 De maatschap heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (rechtbank) van 3 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4191). De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven. De maatschap heeft nadere stukken ingediend. Beide zaken De zitting was op 20 juli 2026. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Voor de maatschap waren ook de maten [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] en hun adviseur [naam 5] aanwezig. Waar gaat deze zaak over 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank. Het College volstaat met het volgende. 1.2 De maatschap exploiteert een rundveehouderij. In 2019 had de maatschap een derogatievergunning op grond waarvan zij onder voorwaarden meer stikstof uit dierlijke mest mocht gebruiken (250 kg per hectare) dan op basis van de reguliere gebruiksnorm dierlijke meststoffen is toegestaan (170 kg per hectare). De vergunningsvoorwaarden houden onder meer in dat deze en andere gebruiksnormen niet overschreden mogen worden. 1.3 Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben de maatschap gecontroleerd op naleving van de gebruiksnormen en derogatievoorwaarden in het jaar 2019. De toezichthouders hebben hun bevindingen neergelegd in een (door hen op 29 en 30 november 2021 ondertekend) rapport van bevindingen. 1.4 In het rapport van bevindingen heeft de minister aanleiding gezien om met een besluit van 31 januari 2024 de derogatievergunning van de maatschap voor 2019 in te trekken (intrekkingsbesluit) en aan de maatschap een boete op te leggen van € 8.542,- (boetebesluit). Uit het rapport van bevindingen blijkt volgens de minister dat de maatschap in 2019 de verhoogde gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft overschreden en niet heeft voldaan aan de derogatievoorwaarden. Daarom geldt de reguliere, lagere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen. De maatschap heeft die norm in 2019 met 1.356 kg stikstof overschreden. Deze overschrijding leidt tot een boete van € 9.492,-. De minister heeft dat bedrag met 10% gematigd vanwege de lange beslistermijn. Als gevolg van de intrekking van de derogatievergunning is de maatschap ook uitgesloten van derogatie in 2025. 1.5 Met het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van de maatschap tegen het intrekkingsbesluit en het boetebesluit ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd. De maatschap heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit bij het College voor zover dat besluit betrekking heeft op het intrekkingsbesluit en bij de rechtbank voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op het boetebesluit. 1.6 De rechtbank heeft het beroep van de maatschap gegrond verklaard omdat er volgens de rechtbank aanleiding was om de boete (verder) te matigen vanwege de lange tijd die is verstreken tussen het uitbrengen van het rapport van bevindingen en het voornemen om een boete op te leggen. De overige beroepsgronden van de maatschap slagen volgens de rechtbank niet. De rechtbank heeft een extra matiging van 10% toegepast op het oorspronkelijke boetebedrag en heeft de boete vastgesteld op € 7.593,60. Wettelijk kader 2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling van het (hoger) beroep De opgelegde boete (zaak 25/559) Vertrouwensbeginsel 3.1 De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verworpen. De maatschap mocht erop vertrouwen dat geen boete zou worden opgelegd over 2019. Bij de toetsing aan de drie stappen van het vertrouwensbeginsel hanteert de rechtbank volgens de maatschap een te strenge maatstaf. Het gaat er bij de eerste stap niet om of werkelijk een toezegging is gedaan, maar hoe de maatschap de uitlating redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen. In dit geval is tegelijkertijd een controle aangevangen over de jaren 2019 en 2020. Op 14 september 2022 heeft een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) één van de maten gebeld met de mededeling dat van het voornemen tot boeteoplegging werd afgezien en dat het dossier werd gesloten. Dit is voor het jaar 2020 bij brief van 15 september 2022 bevestigd. De maatschap kon redelijkerwijs niet weten dat de telefonische mededeling alleen zag op 2020 en niet (ook) op 2019. De rechtbank betrekt bij het oordeel ten onrechte dat de controle over deze jaren bij de RVO intern door verschillende afdelingen wordt afgehandeld, aangezien de maatschap hiervan geen weet kon hebben. Voor zover de minister aan de maatschap heeft tegengeworpen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de telefonische toezegging was gedaan, had het volgens de maatschap op de weg van de minister gelegen om meer onderzoek te doen naar het telefoongesprek en naar wie namens de RVO heeft gebeld. 3.2 De rechtbank heeft met juistheid onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 17 november 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:852) overwogen dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid. 3.3 Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel terecht niet gehonoreerd. De maatschap heeft niet aannemelijk gemaakt dat er namens de minister een mondelinge uitlating is gedaan waaruit de maatschap mocht afleiden dat ook het onderzoek over het jaar 2019 was afgesloten en dat er dus over dat jaar geen boete zou worden opgelegd. Het is namelijk niet vast komen te staan wat er tijdens het telefoongesprek is gezegd. Het telefoongesprek is niet opgenomen en er zijn, na onderzoek door de minister, geen telefoonnotities aangetroffen. Ook is niet duidelijk geworden wie de medewerker was met wie de maatschap telefonisch contact heeft gehad. Voor zover de maatschap heeft betoogd dat de minister hiernaar meer onderzoek had moeten doen, slaagt dit niet. Het ligt namelijk op de weg van degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, in dit geval de maatschap, om aannemelijk te maken dat er een vertrouwenwekkende uitlating is gedaan. De rechtbank heeft verder terecht in haar oordeel betrokken dat de controles over de jaren 2019 en 2020 door verschillende clusters binnen de RVO werden beoordeeld. Met deze omstandigheid hoefde de maatschap weliswaar niet bekend te zijn, maar de interne taakverdeling bij de RVO is wel van belang in het kader van de vraag hoe aannemelijk het is dat tegenover de maatschap mondeling uitlatingen zijn gedaan over beide controlejaren. Gelet op het feit dat de desbetreffende medewerker niet betrokken was bij de controle over 2019 is niet aannemelijk dat hij daarover telefonisch mededelingen heeft gedaan. Aan dat oordeel draagt ook bij dat de maat, met wie deze medewerker telefonisch contact heeft gehad, op de zitting bij de rechtbank heeft erkend dat het jaar 2019 tijdens het gesprek niet is genoemd. 3.4 Het College oordeelt verder in aanvulling op de uitspraak van de rechtbank dat, als al zou kunnen worden aangenomen dat aan de maatschap was toegezegd dat er over het jaar 2019 niet handhavend zou worden opgetreden, de maatschap aan die toezegging als gevolg van de brief die zij daags na dat telefoongesprek ontving niet het gestelde vertrouwen kon ontlenen. Die brief bevatte namelijk de mededeling dat van het voornemen tot intrekking van de derogatievergunning 2020 werd afgezien. Het moest de maatschap gelet op de inhoud van die brief duidelijk zijn dat het telefoongesprek kennelijk op dat jaar betrekking had. Voor zover dat niet duidelijk was, had het op de weg van de maatschap gelegen om bij de RVO navraag te doen over de vraag of het onderzoek over 2019 nu wel of niet was afgesloten. Dat de RVO pas op 20 september 2023 het voornemen over 2019 heeft uitgebracht, maakt het voorgaande niet anders. 3.5 Gelet op het voorgaande slaagt het betoog niet. Diercategorieën 4.1 De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister voor (een deel van) een koppel van 265 runderen mocht uitgaan van diercategorie 122 (roodvleesstieren). In de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) staat dat als de omschrijving van de categorieën niet aansluit bij de voorkomende situatie, de forfaits dienen te worden gehanteerd van de categorie die het best aansluit bij die situatie. De maatschap is geen standaardbedrijf en koopt regelmatig restpartijen vee op om die af te mesten. Volgens de maatschap bestond dit koppel uit kleinere runderen in een slechte conditie. Het koppel was qua voerinname, gewicht en mestuitstoot eerder vergelijkbaar met categorie 117 (rosékalveren), waarvoor een lager forfaitair excretiegehalte geldt. Volgens de maatschap heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat in de verklaring van de eigen dierenarts geen conclusies worden getrokken over de mestproductie en de mineraalgehalten van deze runderen, want daarover verklaart de dierenarts expliciet wel. De verklaring van de dierenarts wordt ondersteund door videobeelden van het koppel. De maatschap betoogt ook dat de rechtbank haar ten onrechte tegenwerpt dat de eigen opgave op de veesaldokaart niet consistent is. 4.2 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 6.2.2 van haar uitspraak geoordeeld dat de maatschap er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de minister in haar geval is uitgegaan van een onjuiste diercategorie en daarmee een onjuiste stikstofexcretie. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het ligt op de weg van de maatschap om feiten te stellen en materiaal aan te dragen waaruit volgt dat de forfaitaire excretienormen zoals die volgen uit bijlage D bij de Urm in het concrete geval niet passend zijn. De maatschap heeft dit met de overgelegde verklaring van de dierenarts en de videobeelden onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voor het bepalen van de indeling in de meest passende diercategorie zijn meerdere aspecten van belang. Zo moet worden gekeken naar leeftijd, gewicht van de kalveren, samenstelling van het diervoeder en het huisvestingssysteem. Op grond van videobeelden kan niet met enige zekerheid worden vastgesteld dat in dit geval aanleiding bestaat het koppel kalveren in te delen in een andere diercategorie met lagere excretieforfaits dan door de minister is gedaan. De verklaring van de dierenarts maakt dat niet anders. Uit die verklaring blijkt weliswaar dat sprake is geweest van een koppel dat sterk vermagerd was en een groeiachterstand had, maar hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat het koppel dus ook een lagere mestproductie had en mest met lagere gehalten aan mineralen. Daarbij komt dat ook de eigen opgave van de maatschap niet consistent is. Uit de door de maatschap naar aanleiding van de controle aangepaste veesaldokaart blijkt dat het op 15 juli 2019 aangevoerde koppel door haar is ingedeeld in de diercategorieën 101, 117 en 122. Dit verhoudt zich niet met het door de maatschap in de beroepsprocedure ingenomen standpunt dat het gehele koppel in categorie 117 moet worden ingedeeld. De maatschap heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de mestproductie van het koppel van 265 runderen op haar bedrijf in werkelijkheid lager lag dan de minister op grond van de forfaits heeft bepaald. 4.3 Het College kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en maakt dat oordeel tot het zijne. Aan de in hoger beroep door de maatschap overgelegde nadere berekeningen kent het College geen betekenis toe, aangezien die berekeningen als uitgangspunt nemen dat alle 265 runderen in diercategorie 117 worden geplaatst en het College met de rechtbank van oordeel is dat daarvoor geen grond bestaat. Het betoog slaagt niet. Oppervlakte landbouwgrond 5 In hoger beroep betoogt de maatschap opnieuw dat de minister de oppervlakte van de landbouwgrond die zij in 2019 in gebruik had, onjuist heeft vastgesteld. Het hogerberoepschrift bevat op dit punt niet meer dan een herhaling van wat er in beroep is aangevoerd. De rechtbank is in rechtsoverweging 6.1.1 gemotiveerd ingegaan op deze beroepsgrond en heeft geoordeeld dat de minister de oppervlakte juist heeft vastgesteld en daarmee de gebruiksruimte op juiste wijze heeft bepaald. Het College kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank. Het betoog slaagt niet. Evenredigheid 6.1 De maatschap betoogt dat de boete onevenredig hoog is en moet worden gematigd. Daartoe voert zij aan dat sprake is van een verminderde verwijtbaarheid en een beperkte ernst van de overtreding. De gestelde overtreding is het resultaat van het verschil van inzicht over de toepasbare diercategorieën. Het kan de maatschap niet worden verweten dat deze materie zo complex is. Verder is de kans op herhaling erg klein omdat de maatschap vanwege deze steeds terugkerende discussie heeft besloten de focus meer te leggen op andere bedrijfsactiviteiten. 6.2 Zoals het College eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 september 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:612)) is een boete als hier aan de orde een punitieve sanctie, die valt onder het bereik van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat brengt mee dat het College moet toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Het opgelegde boetebedrag volgt uit bedragen die zijn vastgelegd in een wettelijk voorschrift. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:2)) vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het kader voor de op artikel 6 van het EVRM gebaseerde evenredigheidstoets. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de op grond van artikel 57 van de Meststoffenwet (Msw) voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet al bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden. 6.3 Met de rechtbank ziet het College in de door de maatschap aangevoerde omstandigheden geen grond voor matiging van de boete. De boete is inmiddels betaald en dat heeft niet geleid tot bedrijfseconomische problemen, zodat de financiële draagkracht geen reden is voor een matiging. Verder kan de maatschap de overtreding worden verweten. Dat de regelgeving over de diercategorieën complex zou zijn, doet daaraan niet af. Dat de kans op herhaling inmiddels gering zou zijn, is evenmin een reden om de boete te matigen. Naar het oordeel van het College is de boete evenredig en mocht de minister deze opleggen. Het betoog slaagt niet. De intrekking van de derogatievergunning (zaak 24/544) Evenredigheid 7.1 De maatschap betoogt dat de intrekking van de derogatievergunning over 2019 en de uitsluiting van derogatie voor 2025 onevenredig zijn. De minister had minder vergaande sancties kunnen opleggen, zoals een schriftelijke waarschuwing. Dit klemt volgens de maatschap te meer omdat de overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen enkel het gevolg is van een verschil van inzicht over de toepasbare diercategorieën. De maatschap betoogt dat de kans op herhaling klein is omdat zij de veetak van haar bedrijf al aan het afschalen is. Verder voert de maatschap aan dat de minister geen kennelijke belangenafweging heeft gemaakt, maar enkel in algemene zin heeft gewezen op het belang van behoud van de uitzonderingspositie van Nederland bij het krijgen van een derogatiebeschikking. Dat de minister beleid hanteert, ontslaat hem niet van een belangenafweging in het concrete geval. De maatschap heeft verder gesteld dat de financiële schade als gevolg van de intrekking van de derogatievergunning over 2019 en de uitsluiting van derogatie voor 2025, en als gevolg van het mislopen van subsidies, ongeveer € 9.000,- bedraagt. 7.2 Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de maatschap zich niet heeft gehouden aan de aan de derogatievergunning verbonden voorwaarde dat de derogatienorm niet overschreden wordt. Hierdoor voldoet de maatschap niet aan een van de voorwaarden voor derogatie (artikel 27c van de Urm, gelezen in samenhang met artikel 25c, eerste lid, van de Urm). Dat betekent dat de minister in beginsel bevoegd was om de derogatievergunning van de maatschap in te trekken. Dat volgt uit artikel 25b, eerste lid, van de Urm. Met de intrekking van de derogatievergunning vloeit de uitsluiting van het kunnen doen van een aanvraag voor een derogatievergunning voor het daaropvolgende kalenderjaar (hier 2025) rechtstreeks voort uit artikel 25b, derde lid, van de Urm (zie de uitspraak van het College van 3 september 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:612) onder 5.3). 7.3 Omdat de intrekking van de derogatievergunning een discretionaire bevoegdheid betreft, moet de toepassing daarvan worden getoetst aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daarin staat dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Artikel 3:4, eerste lid, van de Awb bepaalt daarom dat er een belangenafweging moet plaatsvinden. 7.4 De minister heeft in het bestreden besluit toegelicht dat, omdat het krijgen van een derogatiebeschikking voor de Nederlandse Staat geen vanzelfsprekendheid is, hij kiest voor het strikt handhaven van de derogatievoorwaarden. Dit houdt in dat in principe een derogatievergunning wordt ingetrokken als blijkt dat niet aan de voorwaarden voor derogatie is voldaan. Volgens de minister zijn de met het besluit te dienen belangen de bescherming van het milieu en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Artikel 27c van de Urm schrijft dwingendrechtelijk voor dat ingeval de voorwaarden niet worden nageleefd de standaard normen van toepassing zijn. Daarnaast schrijft de van toepassing zijnde regelgeving dwingendrechtelijk voor dat uitsluiting van derogatie voor een later jaar plaatsvindt. De voor de maatschap nadelige gevolgen van de intrekking en uitsluiting zijn volgens het bestreden besluit niet onevenredig in verhouding tot de doelen die daarmee zijn gediend. Het besluit is, gelet op het niet naleven van de derogatievoorwaarden, in het geval van de maatschap evenredig. 7.5 Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 8 april 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:242), onder 6.4.1), is intrekking van derogatie met als automatisch rechtsgevolg uitsluiting voor het eerstvolgende jaar op zichzelf een geschikt middel om het beoogde doel, behoud van de derogatie voor de Nederlandse veehouders, te bereiken. Het College ziet in wat de maatschap heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het intrekkingsbesluit in dit geval niet noodzakelijk en evenwichtig is. Gegeven de in het bestreden besluit gegeven toelichting heeft de minister een toereikende belangenafweging verricht. Zoals de minister ter zitting bij het College heeft benadrukt, betreft de overtreding, anders dan de maatschap heeft gesteld, niet slechts een overtreding ‘op papier’ zonder feitelijke gevolgen, maar gaat het om een niet geringe overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 1.356 kg stikstof, waarbij moet worden verondersteld dat deze overschrijding milieuschade heeft veroorzaakt. Ook in een eventuele geringe kans op herhaling hoefde de minister geen aanleiding te zien om van de intrekking af te zien. Dat de maatschap financiële gevolgen heeft ondervonden van het intrekkingsbesluit mag zo zijn, maar dat maakt het besluit op zichzelf niet onevenredig. Een financiële onderbouwing waaruit zou blijken dat het intrekkingsbesluit financiële gevolgen heeft die onevenredig zijn met de met het besluit te dienen doelen ontbreekt. 7.6 Gelet op het voorgaande slaagt het betoog niet. Slotsom 8 Het hoger beroep (zaak 25/559) slaagt niet. Het College zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen. Het beroep (zaak 24/544) is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College: in de zaak 24/544: - verklaart het beroep ongegrond; in de zaak 25/559: - bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. A. van Gijzen en mr. H.G. Rottier, in aanwezigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026. w.g. H.L. van der Beek w.g. C.A. Blankenstein Bijlage Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:46 1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd. 2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. 3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. 4. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. Meststoffenwet Artikel 7 Het is verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen. Artikel 8 Het in artikel 7 gestelde verbod geldt niet indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende normen overschrijdt: a. de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen; b. de stikstofgebruiksnorm voor meststoffen; c. de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen. Artikel 9 1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, is 170 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. 2. Bij ministeriële regeling kan een hogere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen worden vastgesteld, die van toepassing is in de gevallen en onder de voorwaarden en beperkingen, bepaald bij de regeling. […] Artikel 57 1. Ingeval van overtreding van artikel 7 bedraagt de bestuurlijke boete: a. € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel a, bedoelde gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen is overschreden, vermeerderd met b. € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel b, bedoelde stikstofgebruiksnorm is overschreden, en vermeerderd met c. € 11 per kilogram fosfaat waarmee de in artikel 8, onderdeel c, bedoelde fosfaatgebruiksnorm is overschreden.