Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-08-04
ECLI:NL:CBB:2026:359
GLB 2023. Aanvullende inkomsenssteun jonge landbouwers. Onder het oude GLB ontving de zoon met zijn eenmanszaak inkomenssteun voor jonge landbouwers. De eenmanszaak van de zoon is niet voortgezet in de maatschap die de zoon met zijn ouders is aangegaan. Omdat de maatschap onder het oude GLB geen extra betaling voor jonge landbouwers ontving, heeft zij hier onder het GLB 2023 ook geen recht op. uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 25/122 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] , te [vestigingsplaats] (maatschap) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. J. van Horsen) Procesverloop in beroep De maatschap heeft tegen het besluit van 24 december 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 7 juli 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de maatschap [naam 2] en namens de minister zijn gemachtigden. Inleiding 1.1 [naam 2] (jonge landbouwer en zoon) dreef een eenmanszaak onder de naam [naam 3] . De zoon heeft in 2021 en 2022 de extra betaling voor jonge landbouwers ontvangen. 1.2 [naam 4] en [naam 5] (ouders) werkten sinds 1 mei 2001 samen in een maatschap. 1.3 Op 21 maart 2023 zijn de zoon en de ouders met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 de maatschap [naam 1] (maatschap) aangegaan. In de maatschap is, kortgezegd, het ondernemingsvermogen van de maatschap van de ouders ingebracht. De zoon heeft geen vermogen ingebracht, alleen kennis, arbeid en vlijt. 1.4 Op 9 mei 2023 heeft de zoon bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een Melding overdracht agrarisch bedrijf gedaan. Daarin is vermeld dat het bedrijf [naam 3] op 31 december 2022 is overgedragen aan de maatschap. 1.5 Op 13 juni 2023 heeft de maatschap zich met de Gecombineerde opgave 2023 aangemeld voor de basispremie, de extra betaling eerste 40 hectare en de extra betaling voor jonge landbouwers. Op 17 oktober 2023 heeft de maatschap de aanvraag definitief ingediend. 1.6 Met het besluit van 25 juni 2024 heeft de minister de aanvraag voor de basispremie en extra betaling eerste 40 hectare toegewezen en de aanvraag voor de extra betaling voor jonge landbouwers afgewezen. Met het bestreden besluit heeft de minister dit besluit gehandhaafd. De minister heeft de extra betaling voor jonge landbouwers afgewezen, omdat de maatschap in de vorige GLB-periode geen extra betaling voor jonge landbouwers heeft ontvangen. Volgens de minister blijkt uit de maatschapsakte niet dat de eenmanszaak van de zoon wordt voortgezet in de maatschap. Uit de maatschapsakte blijkt ook niet dat de zoon iets anders dan arbeid heeft ingebracht in de maatschap. Er worden geen rechten, percelen of andere zaken overgedragen en er worden geen vermogen of zaken ingebracht in de maatschap. Uit de gegevens waarover de minister beschikt, kan de minister alleen opmaken dat de zoon zijn eenmanszaak heeft beëindigd en is toegetreden tot de bestaande maatschap van de ouders. Van een voortzetting van de onderneming onder een gewijzigde rechtsvorm is in die situatie volgens de minister geen sprake. Beoordeling van het beroep 2.1 Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is, voor zover hier van belang, vastgelegd in Verordening 2021/2115, Verordening 2021/2116, Uitvoeringsverordening 2021/2290 en Gedelegeerde Verordening 2022/1172. De nationale invulling van de GLB-verordeningen is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023. 2.2 In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 is bepaald dat de minister rechtstreekse betalingen verstrekt inzake aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers. 2.3 In artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 is bepaald dat een landbouwer aanspraak kan maken op de betaling voor aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, voor de resterende periode, bedoeld in artikel 30, tweede lid, tweede alinea, van Verordening 2021/2115 , indien de jonge landbouwer daadwerkelijke langdurige zeggenschap heeft over het bedrijf op de peildatum van het aanvraagjaar. 2.4 In artikel 30, tweede lid, van Verordening 2021/2115 is het volgende bepaald. Als onderdeel van hun verplichting om in overeenstemming met de in artikel 6, lid 1, punt g, vastgestelde doelstelling jonge landbouwers aan te trekken en om overeenkomstig artikel 95 aan deze doelstelling ten minste een in bijlage XII opgenomen bedrag te besteden, kunnen de lidstaten aanvullende inkomenssteun verstrekken aan jonge landbouwers die zich onlangs voor het eerst hebben gevestigd en die recht hebben op een betaling in het kader van de in artikel 21 bedoelde basisinkomenssteun. De lidstaten kunnen besluiten de, op grond van het onderhavige artikel, verleende steun te verlenen aan landbouwers die op grond van artikel 50 van Verordening 1307/2013 steun hebben ontvangen gedurende de rest van de in lid 5 van dat artikel bedoelde periode. 2.5 Uit het voorgaande volgt dat de aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers, zoals die gold onder het oude GLB, wordt voortgezet onder het GLB 2023, mits de jonge landbouwer deze aanvullende inkomenssteun al ontving onder het oude GLB. In de toelichting bij de Uitvoeringsregeling GLB 2023 staat hierover: “Om de landbouw in Nederland vitaal en concurrerend te houden, is voldoende instroom van jonge landbouwers nodig. Voor jonge landbouwers is het financieel problematisch om nieuwe economische activiteiten in de landbouwsector op te zetten en tot ontwikkeling te brengen. Jonge landbouwers hebben bij de start van hun bedrijf vaak te maken met hoge lasten, omdat in Nederland de grondprijs hoog is (hoogste in de EU) en de opstallen duur zijn. Voor zij-instromers zijn de overnamekosten in veel gevallen hoger, omdat zij in tegenstelling tot overnemers in familiaire kring een bedrijf meestal niet onder de marktwaarde kunnen kopen. Om jonge boeren hierin te ondersteunen, is besloten om in plaats van aanvullende inkomenssteun te kiezen voor vestigingssteun, wat de jonge boer beter in staat stelt om een bedrijf over te nemen, te starten en/of te verduurzamen. Het budget dat anders voor de aanvullende inkomenssteun zou zijn gebruikt, wordt toegevoegd aan dat van de vestigingssteun. Op deze manier wordt de inkomenssteun tegelijk doelgerichter ingevuld. Samen met de investeringssteun moet dit uiteindelijk leiden tot een structurele generatievernieuwing. Jonge landbouwers, die nog onder het vorige GLB een top-up toegekend hebben gekregen en waarvan de vijfjaarsperiode nog niet is afgelopen, zullen in deze GLB-periode recht hierop blijven houden onder de voorwaarden die hiervoor gelden op grond van artikel 50 van Verordening (EU) nr. 1307/2013.” 3 Het College is met de minister van oordeel dat het landbouwbedrijf van de zoon niet is voortgezet in de maatschap. In 2022 hebben de eenmanszaak van de zoon en de maatschap (waarin de zoon ook deelnam) naast elkaar bestaan. De maatschap heeft in 2022 geen inkomenssteun voor jonge landbouwers aangevraagd of ontvangen, dat heeft de zoon alleen met zijn eenmanszaak gedaan. De eenmanszaak van de zoon is eind 2022 beëindigd. De bedrijfsmiddelen in de eenmanszaak, waaronder koeien en gepacht land, zijn in 2022 verkocht of geëindigd. De zoon heeft geen bedrijfsmiddelen ingebracht in de maatschap, alleen kennis, arbeid en vlijt. De zoon heeft verder zowel in de Melding overdracht agrarisch bedrijf van 9 mei 2023 als tijdens een telefoongesprek met een medewerker van de RVO op 21 november 2024 verklaard dat hij alleen inkomenssteun voor jonge landbouwers wilde overdragen aan de maatschap. Het College concludeert hieruit dat geen sprake is geweest van een voortzetting van de eenmanszaak in de maatschap. Omdat de maatschap onder het oude GLB geen extra betaling voor jonge landbouwers ontving, heeft zij hier onder het GLB 2023 ook geen recht op. De minister heeft de aanvraag extra betaling voor jonge landbouwers dan ook terecht afgewezen. 4 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.