Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-02-03
ECLI:NL:CBB:2026:34
tussenuitspraak(verwijzingsuitspraak) COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/2033 tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 op het hoger beroep van Samsung Electronics Benelux B.V., te Delft (Samsung) (gemachtigden: mr. C.E. Schillemans, mr. H.M. Pannekoek en mr. J.M. Mater) tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 november 2023, kenmerk ROT 23/3, in het geding tussen Samsung en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) (gemachtigden: mr. A. Bouman, L.M. Brokx JD, LL.M. en mr. M. Rekker) Procesverloop in hoger beroep Samsung heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 november 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:10490). De ACM heeft een verweerschrift ingediend. Op 26 mei 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:418) heeft de rechter-commissaris beslist dat de door de ACM verzochte beperking van de kennisneming, met uitzondering van de stukken 12, 25, 42 en 48 uit de inventarislijst met code C, gerechtvaardigd is. Samsung heeft voor de overige stukken erin toegestemd dat alleen het College daarvan kennisneemt. De ACM heeft de stukken 12, 25, 42 en 48 uit de inventarislijst opnieuw ingezonden, nu zonder verzoek om beperking van de kennisneming. De zitting was op 8 juli 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen en verder T. Conijn voor Samsung en R.G.M. Kemp voor de ACM. Het College heeft het onderzoek heropend, partijen bericht dat het voornemens is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) en hen in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen te geven op een concept van deze vragen. Beide partijen hebben een schriftelijke zienswijze ingediend. Grondslag van het geschil 1.1 Dit geschil gaat over de vraag of de ACM aan Samsung terecht een boete (van € 39.875.500,-) heeft opgelegd voor het vaststellen van de online wederverkoopprijzen van Samsung televisies van zeven detailhandelaren tussen 9 januari 2013 en 7 december 2018. 1.2 Naar aanleiding van verschillende signalen en verklaringen van detailhandelaren is de ACM een onderzoek gestart naar mogelijke overtredingen van artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Artikel 6 van de Mededingingswet komt met artikel 101 van het VWEU overeen, maar is in zijn territoriale werking beperkt tot de Nederlandse markt. In het kader van dit onderzoek heeft de ACM in december 2018 onderzoek verricht op de bedrijfslocatie van Samsung en tevens in december 2018 en februari 2019 op de locaties van een aantal detailhandelaren. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een boeterapport van 7 juli 2020. 1.3 Met het besluit van 14 september 2021 (boetebesluit) heeft de ACM aan Samsung een boete van € 39.875.500,- opgelegd. Met het besluit van 21 november 2022 (bestreden besluit) heeft de ACM het daartegen door Samsung gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Volgens de ACM stelde Samsung tussen 9 januari 2013 en 7 december 2018 geregeld de online wederverkoopprijzen van zeven met name genoemde detailhandelaren vast en heeft zij daarmee de vrijheid van de detailhandelaren beperkt om hun wederverkoopprijzen te bepalen. Samsung deed dit door middel van verschillende gedragingen. De gedragingen hadden tot doel de concurrentie op de consumentenprijs tussen de detailhandelaren te beperken. Met deze gedragingen heeft Samsung deelgenomen aan overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met ten minste zeven detailhandelaren die ertoe strekken de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Hiermee heeft Samsung het verbod van artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 101 van het VWEU overtreden. Omdat volgens de ACM sprake is van een strekkingsbeperking, zijn de daadwerkelijke gevolgen voor de mededinging van de gedragingen van Samsung niet relevant en hoeven deze dus ook niet te worden onderzocht. De ACM heeft de gedragingen van Samsung aangemerkt als een enkele voort Het marktaandeel van LG lag tussen 11,2% in 2013 en 18,8% in 2018, dat van Philips tussen 22,9% en 13,8% in de periode 2013 tot en met 2017 en 15,3% in 2018, en dat van Sony tussen 7,4% in 2013 en 15,8% in 2018. 4.2 Televisies worden aan de eindgebruikers verkocht via detailhandelaren. Deze kopen de televisies rechtstreeks in bij de fabrikanten of via een distributeur. De verkoop door een detailhandelaar aan eindgebruikers vindt online en/of in fysieke winkels plaats. Detailhandelaren voeren in het algemeen meer merken. De zeven detailhandelaren waarvan de ACM heeft aangenomen dat Samsung daar actief invloed op uitoefende, vertegenwoordigden in de hier relevante periode een marktaandeel tussen 54% en 70% van de totale verkoop aan Samsungtelevisies in Nederland. Deze detailhandelaren voerden niet alleen televisies van het merk Samsung maar ook van een of meer andere merken. 4.3 Televisies kennen een neerwaarts prijsverloop: de prijs daalt naarmate een model langer op de markt is. Ieder kalenderjaar kent eenzelfde verloop. In het voorjaar (en soms rond september) worden nieuwe televisiemodellen geïntroduceerd. De verkooplevensduur van televisies is ongeveer één jaar. Modellen uit een oude line-up (end of life-modellen of EOL-modellen) worden bij de introductie van nieuwe modellen geleidelijk uitgefaseerd en verdwijnen enkele maanden nadien van de markt. Samsung voert open modellen die iedere detailhandelaar kan bestellen (ook: basismodellen), (semi-)exclusieve modellen die alleen bij een of meer specifieke detailhandelaren verkrijgbaar zijn, en hanteert voor bepaalde televisiemodellen (ook: 'contractmodellen', waaronder de AV Elitemodellen) een selectief distributiestelsel. 4.4 Met alle detailhandelaren (en distributeurs) maakt Samsung commerciële afspraken. Deze worden vastgelegd in distributieovereenkomsten of jaarafspraken, al maakt Samsung ook afspraken die daarin niet zijn opgenomen. De afspraken hebben invloed op de inkoopprijs van de detailhandelaar, en daarmee op diens potentiële marge. Zo hebben de afspraken betrekking op onder meer de rekenfactor, die bepalend is voor de inkoopprijs van een detailhandelaar voor een bepaald televisiemodel, voorraadbescherming, doorverkoop- en inkooppremies, de marketingbijdrage van Samsung en de mogelijkheid om mee te doen met consumentenacties. 4.5 Prijsvergelijkingssites leiden tot een verhoogde mate van transparantie op de televisiemarkt. Het belang van een prijsvergelijkingssite is er voor een detailhandelaar in gelegen dat een belangrijk deel van de klanten via deze sites naar zijn website of fysieke winkel komt. Consumenten klikken op prijsvergelijkingssites voornamelijk op de detailhandelaren die boven in de lijst staan. Een positie boven in de lijst van een prijsvergelijkingssite is daarom van belang. Detailhandelaren gebruiken prijsvergelijkingssites zowel om de aandacht van de consument te trekken als voor de prijszetting van televisies. Detailhandelaren kunnen continu zien welke verkoopprijzen hun concurrenten zetten en gebruiken spiderprogramma's om hierover data te verzamelen. Deze data gebruiken zij vervolgens bij het (handmatig of geautomatiseerd) naar boven of naar beneden aanpassen van de eigen verkoopprijzen. Hierbij hanteren de detailhandelaren over het algemeen een volgstrategie. De verweten gedragingen 5 De ACM verwijt Samsung dat zij tussen 9 januari 2013 en 7 december 2018 geregeld de online wederverkoopprijzen van zeven met name genoemde detailhandelaren vaststelde. Samsung heeft zo de vrijheid van haar afnemers, om hun eigen prijsbeleid te bepalen, beperkt. De ACM legt hieraan in het bestreden besluit de volgende gedragingen van Samsung ten grondslag: Samsung monitort de door haar afnemers gehanteerde wederverkoopprijzen en neemt bij afwijking van de adviesprijs contact op met haar afnemers. Samsung verwacht dat haar 'adviezen' worden opgevolgd; Samsung spant zich in om te achterhalen wie de initiator van een prijsverlaging is en probeert prijsverlagingen ongeda De voorbeelden die Samsung heeft gegeven van gevallen waarin geen opvolging plaatsvond of waarin opvolging niet blijkt uit het bewijs, nemen niet weg dat er talloze voorbeelden zijn waaruit het tegendeel blijkt. Bovendien volgt uit het bewijs dat Samsung een systeem had ingericht waarin werd gemonitord wat de detailhandelaren deden en of zij opvolging gaven aan de verzoeken. Van daadwerkelijke vrijheid van de detailhandelaren om hun verkoopprijs te bepalen, was dan ook geen sprake. 6.6 Het College volgt niet het standpunt van Samsung dat de aanwezigheid van dwangmaatregelen een vereiste is voor het aannemen van verticale prijsafstemming tussen een leverancier en zijn detailhandelaren. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, punt 53 (ECLI:EU:C:2023:529), volgt dat artikel 101, eerste lid, van het VWEU aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van een overeenkomst in de zin van die bepaling wanneer een leverancier zijn distributeurs minimumwederverkoopprijzen oplegt voor de door hem op de markt gebrachte producten, voor zover de oplegging van deze prijzen door de leverancier en de inachtneming ervan door de distributeurs de overeenstemmende wil van deze partijen tot uitdrukking brengen. Deze overeenstemmende wil kan zowel voortvloeien uit de bedingen van de betrokken distributieovereenkomst, wanneer deze een uitdrukkelijk verzoek bevat om minimumwederverkoopprijzen in acht te nemen, of althans de leverancier toestaat dergelijke prijzen op te leggen, als uit het gedrag van partijen en met name uit de eventuele uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming van de distributeurs met een verzoek om minimumwederverkoopprijzen in acht te nemen. Het Hof van Justitie heeft verder in punt 56 van het arrest overwogen dat het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 101, eerste lid, van het VWEU tussen een leverancier en zijn distributeurs niet alleen aan de hand van rechtstreeks bewijs kan worden vastgesteld, maar ook aan de hand van objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen waaruit het bestaan van een dergelijke overeenkomst kan worden afgeleid. Uit het arrest volgt niet dat dwangmaatregelen een vereiste zijn voor het aannemen van verticale overeenkomsten. Dit volgt ook niet uit eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie (zie bijvoorbeeld het arrest van 18 november 2021, Visma Enterprise, punt 94 en de daarin aangehaalde rechtspraak (ECLI:EU:C:2021:935)). Dat in eerdere zaken waarin verticale prijsbinding werd vastgesteld veelal wel sprake was van dwangmaatregelen of financiële prikkels, betekent niet dat bij de afwezigheid daarvan nooit sprake kan zijn van verticale prijsbinding. In het hier voorliggende geval is uit het bewijs overtuigend gebleken dat Samsung, met instemming van de zeven detailhandelaren, door een samenstel aan gedragingen de vrijheid van de detailhandelaren om de online wederverkoopprijzen van televisies vast te stellen, beperkte. Het College neemt daarbij in aanmerking dat, zoals de rechtbank in overweging 18.2 van de uitspraak ook heeft vastgesteld, uit het bewijs blijkt dat hierbij weliswaar geen sprake was van dwangmaatregelen of financiële prikkels, maar wel van enige door Samsung uitgeoefende druk. 6.7 Omdat voor deze zaak duidelijk is dat sprake was van verticale prijsafstemming tussen Samsung en de zeven detailhandelaren, waarbij de vrijheid van de detailhandelaren om hun verkoopprijs te bepalen werd beperkt, is er geen grond voor het stellen van de door Samsung verzochte prejudiciële vraag. Is sprake van een strekkingsbeperking? 7.1 De rechtbank heeft geoordeeld dat de gedragingen van Samsung ertoe strekken de mededinging (binnen de interne markt) te beperken. De rechtbank heeft dit gemotiveerd in de overwegingen 16 tot en met 25 van de uitspraak. De rechtbank heeft daarbij tevens geoordeeld dat de ACM de gevolgen voor de interbrand-concurrentie niet hoeft te onderzoeken. 7.2 Samsung betoogt dat de ACM en de rechtbank de (vermeende) verticale prijs 7.4 Het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst, of zij nu horizontaal of verticaal is, een mededingingsbeperkende strekking heeft, valt samen met de vraag of deze overeenkomst op zich voldoende schadelijk is voor de mededinging (arrest Super Bock Bebidas, punt 34 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Bij de beoordeling of aan dat criterium is voldaan, moet worden gelet op de bewoordingen en de doelen van de overeenkomst, alsmede op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (arrest Super Bock Bebidas, punt 35 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). 7.5 Het College stelt voorop dat de hiervoor vastgestelde verticale prijsafstemming tussen Samsung en de zeven detailhandelaren op zich voldoende schadelijk is voor de intrabrand-concurrentie. De gedragingen van Samsung, in hun totaliteit en onderlinge samenhang bezien, brengen immers naar hun aard mee dat de vrijheid van de detailhandelaren om zelf de online wederverkoopprijzen van televisies vast te stellen wordt beperkt. De detailhandelaren vertegenwoordigden in de hier relevante periode bovendien een aanzienlijk marktaandeel van de totale verkoop aan Samsungtelevisies in Nederland. Er was dus sprake van een beperking van de intrabrand-concurrentie bij de verkoop van Samsungtelevisies in Nederland. Anders dan Samsung (ook) lijkt te hebben willen betogen, maakt het daarbij voor de mate van schadelijkheid voor de concurrentie als zodanig niet uit dat een beperking van de concurrentie het gevolg is van een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging die tot stand is gekomen zonder (contractuele) dwangmaatregelen of financiële prikkels. 7.6.1 De kernvraag is of bij het onderzoek van de economische en juridische context ook de schadelijkheid van de gedragingen voor de interbrand-concurrentie moet worden betrokken en, zo ja, op welke concurrentieprameters een dergelijk onderzoek dan betrekking moet hebben. Daarover overweegt het College het volgende. 7.6.2 Het College merkt in dit verband allereerst op dat uit punt 78 van het arrest Visma Enterprise niet zonder meer kan worden afgeleid dat voor de vaststelling van een (verticale) strekkingsbeperking niet alleen moet worden gekeken naar de intrabrand-concurentie, maar ook altijd naar de interbrand-concurrentie. Uit de structuur van dit arrest zou kunnen worden opgemaakt dat de punten 57 tot en met 63 gaan over het toetsingskader voor strekkingsbeperkingen (dat in de punten 64 tot en met 70 wordt toegepast op de daar voorliggende zaak) en de punten 71 tot en met 79 over het toetsingskader voor gevolgbeperkingen (dat in de punten 80 en 81 wordt toegepast op die zaak). Ook de bewoordingen van punt 78 lijken te duiden op gevolgbeperkingen. Er wordt immers gesproken over de daadwerkelijke mededinging (in de Franse tekst: la concurrence effective en in de Duitse tekst: der wirksame Wettbewerb ). Daarbij komt dat in punt 81 uitdrukkelijk wordt gesproken over de gevolgen voor de mededinging . In dit verband valt ook op dat in het - latere - arrest Super Bock Bebidas in de punten 32 tot en met 35, waarin het beoordelingskader voor een strekkingsbeperking wordt uiteengezet, niet wordt verwezen naar punt 78 van het arrest Visma Enterprise en ook anderszins niet wordt gerefereerd aan de interbrand-concurrentie. Naar het oordeel van het College kan hieruit echter niet de onbetwistbare conclusie worden getrokken dat bij een verticale strekkingsbeperking nooit naar de interbrand-concurrentie moet worden gekeken. De economische en juridische context omvat immers mede de structuur van de betrokken markt of markten. Bij voorbaat kan dan niet worden uitgesloten dat daarbij ook moet worden betrokken of de beperking op zich eveneens voldoende schadelijk is voor de interbrand-concurrentie. 7.6.3 I