Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-02-03
ECLI:NL:CBB:2026:33
tussenuitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/868 tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming) en de minister van Economische Zaken (gemachtigden: mr. Y. Groen en mr. P.J. Kooijman) Procesverloop Met het besluit van 22 december 2023 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie die aan de onderneming op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, titel 3.21 Beleidsexperiment menselijk kapitaal (Regeling) was verleend, vastgesteld op nihil en de onverschuldigd betaalde voorschotten tot een bedrag van € 112.499,- van haar teruggevorderd. Met het besluit van 30 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 13 november 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister. Overwegingen Inleiding 1.1 Titel 3.21 van de Regeling voorzag ten tijde van belang in subsidie voor projectvoorstellen van het midden- en kleinbedrijf (mkb) om de leercultuur in hun onderneming(en) te versterken en belemmeringen bij het investeren in scholing en ontwikkeling weg te nemen. Op grond van artikel 3.21.4 van de Regeling vond de beoordeling van de projecten plaats op basis van het tenderprincipe. Dit houdt in dat de minister de ingediende aanvragen gelijktijdig inhoudelijk beoordeelde, onderling vergeleek en ten opzichte van elkaar rangschikte. 1.2 De onderneming heeft op 19 januari 2021 samen met twee andere projectdeelnemers (sportscholen) subsidie aangevraagd voor het project ‘ [projectnaam] ’. In het projectplan staat omschreven dat dit project als doel heeft medewerkers van fitnessclubs te helpen hun digitale vaardigheden te ontwikkelen en digitalisering in fitnessclubs te stimuleren. Het project is gericht op de ontwikkeling van kennis en het gebruik van sociale media en online marketing. Medewerkers zullen zich relevante digitale technieken en vaardigheden eigen maken. Het project zal de leercultuur verbeteren en daarmee de wendbaarheid en duurzame inzetbaarheid van medewerkers in de fitnessclubs vergroten. Het project is goed schaalbaar en ook geschikt voor andere mkb-ondernemingen. Het project bestaat uit de ontwikkeling van een fysiek leerboek, een online leeromgeving, een online marketingplatform en mobiele applicaties. 1.3 Met het besluit van 20 april 2021 (verleningsbesluit) heeft de minister voor het project een bedrag van in totaal maximaal € 175.199,- subsidie verleend, waarvan een bedrag van € 124.499,- is toegekend aan de onderneming. Verder heeft de minister met dit besluit een voorschot verstrekt. De looptijd van het project is van 1 april 2021 tot en met 31 maart 2023. In het verleningsbesluit staat dat gemaakte kosten buiten deze periode niet voor subsidie in aanmerking komen en dat aan de subsidieverlening verplichtingen zijn verbonden, waaronder de verplichting om activiteiten uit de voeren zoals deze in de aanvraag zijn beschreven. Voor vertragen of op essentiële punten wijzigen van het project moet vooraf schriftelijk toestemming worden gevraagd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Wanneer de verplichtingen niet worden nagekomen, kan dat betekenen dat de subsidie lager wordt vastgesteld of in zijn geheel wordt ingetrokken. 1.4 De onderneming heeft de minister op 30 juni 2023 verzocht om de subsidie vast te stellen. Met het vaststellingsbesluit heeft de minister de subsidie vastgesteld op nihil en de onverschuldigd betaalde voorschotten tot een bedrag van € 112.499,- van de onderneming teruggevorderd. Volgens de minister hebben de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel plaatsgevonden. Wat de onderneming wel heeft ontwikkeld, heeft weinig relatie met de fitnessbranche. Het projectplan is niet gevolgd en de on 4.2 Het projectplan is gericht op het trainen van fitnessmedewerkers in het gebruik van sociale media en online marketing. Dit blijkt uit onder meer de volgende passage (zie pagina 7 van het projectplan, onder 4): “Door het pilotproject 'Digitalisering in beweging' zijn fitnessmedewerkers straks getraind in het omgaan met digitalisering als belangrijke 21st century skill, zoals het gebruik van sociale media en online marketing. Ze zijn dan beter in staat om digitaal te communiceren met collega's en leden van onze fitnessclubs. Hun kennis over digitalisering en het gebruik van online data(systemen) neemt toe. Ook begrijpen ze door het project de werking ervan en leren ze ermee werken. Ze krijgen door het project ook een betere aansluiting met andere digitale ontwikkelingen. […] Door het project zijn medewerkers in staat om met elkaar nieuwe digitale fitnessdiensten te ontwikkelen. Met de ontwikkeling zal de duurzame inzetbaarheid van medewerkers toenemen. Hierdoor zal de economische waarde van medewerkers voor hun fitnessclub toenemen. Ze krijgen door het project op termijn ook kansen om hun nieuwe competenties in andere MKB-ondernemingen in te zetten. Daarmee nemen de 'marktwaarde' en economische waarde van medewerkers verder toe.” 4.3 Het College volgt de minister in zijn standpunt dat de onderneming de activiteiten niet overeenkomstig het projectplan heeft uitgevoerd. De activiteiten van de onderneming hebben namelijk geen betrekking op de fitnessbranche, maar zijn gericht op het mkb in brede zin. Dat dit – zoals de onderneming betoogt – in overeenstemming is met het projectplan, omdat daarin ook over de geschiktheid van het project voor andere mkb-ondernemingen wordt gesproken, volgt het College niet. Zoals in 4.2 is overwogen, blijkt uit het projectplan dat het was gericht op de fitnessbranche. Later zouden de resultaten ook eventueel voor andere mkb-ondernemingen kunnen worden gebruikt. Het ontwikkelen van een project voor het mkb als geheel dat ook geschikt kan zijn voor fitness-ondernemingen omdat die over het algemeen tot het mkb behoren, is het omgekeerde van het projectplan op basis waarvan de subsidie is toegekend. De keuze van de onderneming om de activiteiten niet langer te richten op de fitnessbranche betreft een essentiële wijziging, waarvoor de onderneming vooraf een ontheffing had moeten vragen. Dit heeft de onderneming nagelaten. Het standpunt van de onderneming dat deze wijziging past binnen de subsidieregels, volgt het College niet. In het verleningsbesluit is uitdrukkelijk vermeld dat toestemming moet worden gevraagd voor essentiële wijzigingen van het project. Dat geldt ook voor een wijziging die vanuit het standpunt van de onderneming een logische is. Dat wil namelijk nog niet zeggen dat de minister voor het gewijzigde project subsidie wil blijven verlenen. Voor zover de onderneming twijfelde over de noodzaak om voor deze wijziging ontheffing aan te vragen, had het voor de hand gelegen om bij de RVO navraag te doen. Dit geldt des te meer, nu de onderneming eerder via e-mail aan de RVO heeft gevraagd wat te doen als het project aangepast moet worden in verband met financiële problemen van twee projectdeelnemers. Hierop heeft een medewerker van de RVO met het e-mailbericht van 19 mei 2021 geantwoord dat het nodig is de voorgestelde wijzigingen door te geven via de website van de RVO en contact op te nemen. 4.4 De beroepsgrond over de onzorgvuldigheid van het onderzoek slaagt niet. Met het door de RVO verrichte onderzoek is voldoende vastgesteld dat wat is opgeleverd de specifieke connectie met de fitnessbranche mist, wat op zichzelf ook niet door de onderneming wordt betwist. In die situatie is er geen aanleiding voor de conclusie dat verder onderzoek had moeten worden verricht. Voor het standpunt van de onderneming dat de minister vooringenomen heeft gehandeld en het rechtszekerheids-, vertrouwens- en ‘fair play’-beginsel heeft geschonden, ziet het College in het dossier geen aanknopingspunten. Het voorga