Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-02-03
ECLI:NL:CBB:2026:30
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1021 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen [naam] B.V., te [woonplaats] (vennootschap) (gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen) en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) Samenvatting Deze zaak gaat over een randvoorwaardenkorting van 3% die de minister heeft toegepast op de door de vennootschap voor 2022 aangevraagde subsidies uit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid. De minister heeft deze korting toegepast omdat de vennootschap de randvoorwaarde over de aanwezigheid van voldoende hokverrijking voor varkens niet heeft nageleefd. De vennootschap is het niet eens met de korting. Het College is van oordeel dat de minister de korting terecht heeft toegepast en legt hierna uit waarom. Procesverloop Met het besluit van 29 november 2022 (kortingsbesluit) heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting van 3% toegepast op alle door de vennootschap voor het jaar 2022 aangevraagde subsidies uit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Met het besluit van 24 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De zitting was op 7 november 2025. De zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaak geregistreerd onder nummer 24/536. Aan de zitting heeft deelgenomen de gemachtigde van de minister. De vennootschap heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt. Overwegingen 1.1 De vennootschap heeft met de Gecombineerde opgave 2022 uitbetaling van rechtstreekse betalingen aangevraagd. 1.2 Op 8 juni 2022 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) naar aanleiding van een handhavingsverzoek bij de vennootschap een inspectie uitgevoerd en daarvan op 28 juni 2022 een rapport van bevindingen opgemaakt (rapport van bevindingen). In dit rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “Op 08 juni 2022, omstreeks 10.30 uur bevonden wij, toezichthouders […] ons op de locatie [adres] [woonplaats] . Op deze locatie is een varkensbedrijf gevestigd op naam van [naam] B.V. […] Op het bedrijf worden circa 5000 varkens ( circa 1500 zeugen met bijbehorende biggen en circa 3650 opfokzeugen / vleesvarkens) gehouden. […] Tijdens onze inspectie van de zogenaamde "Kraamstallen " zagen wij dat er in de kraamstallen niet voldoende materiaal om te onderzoeken en om mee te spelen aanwezig was voor de zeugen. Wij, zagen en telden dat in de kraamhokken circa 340 zeugen werden gehouden welke niet voldoende materiaal om mee te spelen en te onderzoeken ter beschikking hadden. We zagen dat in sommige voerligboxen een kunststof pijpje aan de spijlen hing. Wij zagen dat dit verrijkingsmateriaal boven de vloer, op neushoogte van de varkens was bevestigd. Wij zagen dat dit verrijkingsmateriaal niet op de grond lag / hing zodat de varkens ermee konden wroeten. […] Tijdens onze inspectie van de zogenaamde "Dragende zeugen afdeling" zagen wij dat er in deze stallen niet voldoende materiaal om te onderzoeken en om mee te spelen aanwezig was voor de zeugen. Wij, zagen en telden dat circa 260 zeugen in de voerligboxen niet voldoende materiaal om mee te spelen en te onderzoeken […] ter beschikking hadden. We zagen dat in sommige voerligboxen een kunststof pijpje aan de spijlen hing. Wij zagen dat dit verrijkingsmateriaal boven de vloer, op neushoogte van de varkens was bevestigd. Wij zagen dat dit verrijkingsmateriaal niet op de grond lag / hing zodat de varkens ermee konden wroeten. […] Tijdens onze inspectie van stal 1 m Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, bestaande uit stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, of ander geschikt materiaal, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt. 2. Zeugen en gelten beschikken in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.” 4.3 Op grond van artikel 39 van Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014) wordt indien een geconstateerde niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de begunstigde, een verlaging van 3% toegepast op het totale bedrag aan betalingen en jaarlijkse premies die in artikel 92 van Verordening 1306/2013 worden genoemd. Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van het belang van de niet-naleving dat de bevoegde controleautoriteit in het evaluatiegedeelte van het controleverslag daaraan heeft toegekend op basis van de in artikel 38, eerste tot en met vierde lid, genoemde criteria, besluiten om dat percentage te verlagen tot 1% of te verhogen tot 5% van het in de eerste alinea bedoelde totale bedrag. Op grond van artikel 38, eerste tot en met vierde lid, van Verordening 640/2014 zijn de criteria – kort gezegd – de herhaling, de omvang, de ernst en het permanente karakter van een niet-naleving. Oordeel van het College 5.1 Het College volgt de vennootschap niet in haar betoog dat het gestelde niet ontvangen hebben van het voornemen tot toepassing van de randvoorwaardenkorting moet leiden tot afzien van die toepassing. Op grond van het hiervoor genoemde artikel 91 van Verordening 1306/2013 moet na een geconstateerde niet-naleving van randvoorwaarden een korting worden toegepast. Het eventueel niet ontvangen hebben van het voornemen maakt dit niet anders. Daarbij komt dat de vennootschap in bezwaar voldoende gelegenheid is geboden om alsnog haar standpunt uiteen te zetten en dat zij ook van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Daarom is niet aannemelijk dat de vennootschap is benadeeld in het geval dat zij het voornemen niet zou hebben ontvangen. 5.2 De minister heeft zich voor de overtreding van artikel 2.22, eerste en tweede lid, van het Bhd gebaseerd op het door de toezichthouders van de NVWA opgestelde rapport van bevindingen waarin hun waarnemingen zijn opgenomen. De minister stelt dat daaruit blijkt dat de vennootschap niet heeft voldaan aan de verplichting om voldoende hokverrijking voor varkens te hebben. Volgens vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van het College van 9 december 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:644) mag een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door (een) hiertoe bevoegde toezichthouder(s) en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn