Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-01-13
ECLI:NL:CBB:2026:3
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/608 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen [naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer) en de minister van Economische Zaken (gemachtigde: mr. Y. Groen) Procesverloop Met het besluit van 8 april 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie die aan de ondernemer was toegekend op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) vastgesteld op € 240,77 en een bedrag van € 4.019,62 teruggevorderd van de ondernemer. Met het besluit van 4 juni 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard. De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 15 oktober 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: de ondernemer en de gemachtigde van de minister. Overwegingen Inleiding 1.1 Dit geschil gaat over de vaststelling van een subsidie. De ondernemer heeft op grond van de TEK subsidie aangevraagd en verleend gekregen voor een tegemoetkoming in de energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen die het gevolg waren van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemingen uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor de periode van veertien maanden (1 november 2022 tot 31 december 2023). 1.2 Met het besluit van 12 mei 2023 heeft de minister een subsidie toegekend aan de ondernemer van maximaal € 12.172,53. De ondernemer heeft een voorschot ontvangen van 35%, wat neerkomt op € 4.260,39. Op 25 maart 2024 heeft de ondernemer een verzoek om vaststelling ingediend. 1.3 Naar aanleiding van het verzoek om vaststelling heeft de minister het vaststellingsbesluit genomen. Het daartegen ingestelde bezwaar is door de minister ongegrond verklaard (bestreden besluit). Wettelijk kader 2 Het toepasselijke wettelijk kader is als bijlage bij deze uitspraak opgenomen. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Standpunten van partijen 3 De ondernemer voert aan dat de minister niet de berekening van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen, omdat die berekening nadeliger is dan het door de ondernemer bijgevoegde overzicht van het CBS (met de gemiddelde gasprijzen over 2022). Uit dit overzicht blijkt volgens de ondernemer dat de gemiddelde gasprijs € 1,84 bedroeg terwijl er in de vaststellingsberekening wordt uitgegaan van € 1,36. De ondernemer verzoekt om alleen rekening te houden met de gemiddelde gasprijs van 2022 en niet ook de gasprijs van 2023, omdat hij daardoor wordt benadeeld. 4 Volgens de minister is het vaststellingsbesluit op goede gronden genomen. Beoordeling door het College 5.1 Aan de orde is de vraag of de minister de subsidie aan de ondernemer correct heeft vastgesteld zodat deze inderdaad op € 240,77 uitkomt en zodat de ondernemer een bedrag van € 4.019,62 moet terugbetalen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom. Bevoegdheid tot het nemen van het vaststellingsbesluit 5.2 Hoewel de ondernemer geen specifieke gronden aanvoert met betrekking tot de bevoegdheidsgrondslag van de minister tot vaststelling van de subsidie, heeft de minister in het verweerschrift de bevoegdheidsgrondslag gewijzigd ten opzichte van het bestreden besluit. In het bestreden besluit baseerde de minister zijn bevoegdheid op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het verweerschrift stelt de minister zich op het standpunt dat artikel 12 van de TEK-regeling hem de vaststellingsbevoegdheid geeft. Naar het oordeel van het College ligt die grondslag echter in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Hierna legt het College uit hoe het tot die conclusie komt. 5.3 De TEK voorziet in een tegem De minister heeft het bestreden besluit dan ook op zorgvuldige wijze vastgesteld en rekening gehouden met de juiste prijzen. Hieronder legt het College uit hoe het tot dit oordeel komt. 6.2.1 Bij de TEK is gekozen voor het gebruik van modelmatige prijzen. Dat komt door de achtergrond van de TEK. Vanwege de oorlog in Oekraïne en de sterk stijgende prijzen in 2022 was snel ingrijpen geboden. Daarom is gekozen voor een regeling die goed en snel uitvoerbaar was. Om die reden is gebruikgemaakt van schattingen van energiegebruik en van modelmatige prijzen. In de Toelichting bij de TEK staat uitgelegd waarom men niet heeft gekozen voor de werkelijke prijzen die de ondernemingen moeten betalen: “Hiermee wordt voorkomen dat van iedere subsidieaanvrager deze prijzen moeten worden doorgegeven en beoordeeld. Dit zou tot een aanzienlijke complexiteit en uitvoeringslast leiden, gezien het aantal verwachte aanvragen en het feit dat mkb-ondernemers meerdere en verschillende overeenkomsten kunnen hebben per vestiging voor de levering van elektriciteit en gas en/of gedurende de periode dat de regeling openstaat. Dit zou daarnaast tot gevolg hebben dat er veel handmatige beoordeling noodzakelijk is en er veel informatie moet worden aangeleverd door subsidieaanvragers.” 6.2.2 Artikel 7 van de TEK bepaalt dat bij de vaststelling van de subsidie uitgegaan moet worden van de referentieprijs 2023. De TEK noemt ook de referentieprijs 2022 (in het kader van de berekening van de energie-intensiteit van de onderneming), maar voor de vaststelling van de subsidie moet de referentieprijs 2023 als uitgangspunt worden genomen. De minister kan dus niet de referentieprijs 2022 toepassen, omdat die voordeliger zou zijn voor de ondernemer. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. 6.2.3 Vervolgens is de vraag waar de referentieprijs 2023 op is gebaseerd. In de definities van de TEK is opgenomen dat de referentieprijzen 2022 en 2023 door het CBS worden berekend: “referentieprijs 2022: door het CBS gepubliceerde gemiddelden van de variabele leveringstarieven voor consumenten voor gas en elektriciteit over het laatste kwartaal van 2022, inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting; referentieprijs 2023: door het CBS gepubliceerde gemiddelden van de variabele leveringstarieven voor consumenten voor gas en elektriciteit over 2023, inclusief energiebelasting en exclusief omzetbelasting;” De TEK bepaalt dus dat de minister gebonden is aan de berekening van het CBS. In de Toelichting bij de TEK is meer achtergrond gegeven over de CBS-berekening van de referentieprijs 2023. Daaruit blijkt dat zelfs als het CBS de berekeningswijze van de referentieprijzen aanpast, de minister deze methodiek zal volgen: “De referentieprijs 2023 wordt ook berekend op basis van CBS cijfers en is de gemiddelde variabele leveringsprijs voor consumenten voor elektriciteit en gas over het jaar 2023. De referentieprijs 2023 is inclusief energiebelasting en exclusief omzetbelasting. De opslag van duurzame energie wordt in 2023 opgenomen in de energiebelasting. Zoals eerder aangegeven geldt dat voor de referentieprijs (2022 en 2023) wordt aangesloten bij de gegevens en de berekeningen van het CBS. Indien het CBS besluit om in 2023 de rekenmethode te wijzigen voor de gemiddelde variabele leveringstarieven (referentieprijs 2023) dan zal bij deze rekenmethode worden aangesloten. Uitgangspunt hierbij is dat de referentieprijzen 2022 en 2023 op gelijke wijze worden berekend.” 6.2.4 In de Kamerbrief van 7 maart 2024 (Kamerstukken II, 2023-24, 32 637, nr. 612) heeft de minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de door het CBS over 2023 gepubliceerde gemiddelden: “Energieprijzen 2023 Voor de berekening van de gemiddelde energieprijzen in 2023 ten behoeve van de vaststelling van de subsidie, is uitgegaan van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zoals ook opgenomen in de regelingstekst. Op basis van de gegevens van het CBS die op 15 februari jl. zijn gepubli