Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-06-30
ECLI:NL:CBB:2026:293
Hoger beroep. Boete voor slachterij omdat varken niet was verbloed en halsslagaders niet waren doorgesneden. Waarborgen in slachtproces om overtredingen te voorkomen leiden niet tot conclusie dat verwijtbaarheid ontbreekt. Slachterij niet in verdedigingsbelang geschaad door tijdsverloop tussen constatering overtredingen en opmaken rapport van bevindingen. Matiging boete wegens overschrijding redelijke termijn. uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/313 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 op het hoger beroep van [naam] , te [vestigingsplaats] (slachterij) (gemachtigde: F.Th.M. Peters) tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2024, kenmerk 22/5579, in het geding tussen de slachterij en de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, (gemachtigde: mr. D.J. van der Bij) en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) Procesverloop in hoger beroep De slachterij heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:1096). De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven. De zitting was op 20 april 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Inleiding 1.1 In een rapport van bevindingen van 18 november 2021 heeft een toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) naar aanleiding van toezicht bij de slachterij op 13 juli 2021 omstreeks 23.05 uur, het volgende geconstateerd: “Ik heb in het bedrijf aangesproken en ben met naam en functie bekend bij […] functie: slachthalbaas en, […], functie: bedrijfsleider. Tijdens mijn reguliere inspectie bij [naam] in [vestigingsplaats] was ik in de schone slachthal, dicht bij de laatste oven om de laatste AM (antemortemkeuring) categorie 3 varkens (varkens, die een hoog besmettingsrisico voor de slachtlijn kunnen veroorzaken) te tekenen. De laatste oven is de grens tussen de vuile en schone slachthal. Op dit punt van het slachtproces zijn doodgemaakte varkens al in de broeibak met heet water (59* C) geweest, door meerdere schrobmachines en door de eerste oven gegaan. Hier zag ik dat het laatste varken geen steekgat had […]. Bovendien constateerde ik, dat de wonden van de oren van het varken hevig bloedden […]. Het hevig bloeden en het ontbreken van het steekgat betekende, dat het varken na bedwelming door CO2 (eenvoudige bedwelming) niet gedood was door de messteek in de hals en het niet doodgebloed was. […] Het karkas van het varken was OMC (ongeschikt voor menselijke consumptie) verklaard vanwege niet uitgebloed weefsel […]. […] Ik stelde vast dat bij dit dier dat eenvoudig was bedwelmd niet systematisch beide halsslagaders of de toevoerende vaten waren doorgesneden. […] Ik stelde slachthalbaas […] en bedrijfsleider […] van mijn bevindingen op de hoogte en zegde ter zake een rapport van bevindingen aan.” 1.2 Op basis van deze bevindingen en in overeenstemming met zijn voornemen tot het opleggen van een boete, heeft de staatssecretaris met het besluit van 15 juli 2022 (boetebesluit) aan de slachterij een boete opgelegd van € 2.500,-. Dit was gebaseerd op twee beboetbare feiten. In de eerste plaats was sprake van een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren (Rhd) en artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1099/2009 (Verordening 1099/2009). De in bijlage I van Verordening 1099/2009 vermelde bedwelmingsmethoden die niet de onmiddellijke dood tot gevolg hebben, waren niet zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert, zoals verbloeden. In de tweede plaats was sprake van een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8, van de Rhd, en artikel 15, eerste lid, en Bijlage III, punt 3.2, van Verordening 1099/2009. De bedrijfsexploitant had niet gewaarborgd dat de in bijlage III van Verordening 1099/2009 opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen. De eenvoudige bedwelming werd niet zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert, want de twee halsslagaders of de toevoerende bloedvaten werden niet systematisch doorgesneden. Vanwege de samenhang tussen de beide beboetbare feiten heeft de staatssecretaris daarvoor eenmaal een boetebedrag opgelegd, namelijk het boetebedrag dat hoort bij het tweede beboetbare feit. 1.3 In het besluit op bezwaar van 14 oktober 2022 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de staatssecretaris het bezwaar van de slachterij tegen het boetebesluit ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd. Uitspraak van de rechtbank 2 De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank kwam tot het oordeel dat de minister op basis van het rapport van bevindingen terecht had vastgesteld dat de slachterij de in het boetebesluit genoemde bepalingen had overtreden en dat de minister daarom bevoegd was een boete op te leggen. Verder zag de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, de minister van boeteoplegging had moeten afzien dan wel dat de hoogte van boete moet worden gematigd. Wettelijk kader 3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling van het hoger beroep 4 Het College zal hieronder de hogerberoepsgronden van de slachterij bespreken en daarbij, voor zover nodig, ingaan op het standpunt van de staatssecretaris. Zijn de overtredingen verwijtbaar? 5.1 Op grond van artikel 4, eerste lid, van Verordening 1099/2009 worden de in bijlage I vermelde methoden voor het bedwelmen van dieren die niet de onmiddellijke dood tot gevolg hebben (‘eenvoudige bedwelming’ genoemd), zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert, zoals verbloeden. Artikel 15, eerste lid, van Verordening 1099/2009 bepaalt dat de bedrijfsexploitanten waarborgen dat de in bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen. Punt 3.2 van bijlage III houdt in dat bij eenvoudige bedwelming systematisch de twee halsslagaders of de toevoerende bloedvaten worden doorgesneden. 5.2 In hoger beroep staat vast dat de slachterij deze bepalingen heeft overtreden. De slachterij betwist namelijk niet dat op 13 juli 2021 is geconstateerd dat een varken na de eenvoudige bedwelming geen steekgat had en niet is verbloed. Zij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat haar geen boete kon worden opgelegd omdat de overtredingen niet verwijtbaar zijn. 5.3 Het College volgt de slachterij niet in dit betoog. De stelling van de slachterij dat zij een groot aantal waarborgen (zoals werkinstructies, fixatie van het dier, cameramonitoring en extra controleurs aan de slachtlijn) heeft ingevoerd om overtredingen zoals hier aan de orde te voorkomen, leidt niet tot de conclusie dat haar geen verwijt kan worden gemaakt. Dat een varken niet is gestoken en verbloed betekent dat deze waarborgen blijkbaar niet afdoende zijn of niet correct zijn uitgevoerd. Anders dan de slachterij lijkt te veronderstellen, was het verder niet aan de toezichthouder om onderzoek te doen naar de verwijtbaarheid van de overtredingen. Het is aan de overtreder, hier dus de slachterij, om aannemelijk te maken dat verwijtbaarheid ontbreekt. Het College is daarom met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris bevoegd was om de slachterij een boete voor de overtreding op te leggen. De hogerberoepsgrond slaagt niet. Is de slachterij in haar verdedigingsbelang geschaad? 6.1 De slachterij betoogt dat zij door het tijdsverloop bij de afwikkeling van deze boetezaak in haar verdediging is geschaad. Na de overtreding duurde het vier maanden totdat het rapport van bevindingen is opgemaakt en negen maanden totdat het voornemen tot boeteoplegging is uitgebracht. Pas door kennisname van de inhoud van het rapport van bevindingen werd haar duidelijk wat er precies aan de hand was. Zij kon toen niet meer nagaan waarom het varken ondanks alle waarborgen in het slachtproces niet is gestoken, ook omdat de camerabeelden van het slachtproces toen niet zo lang werden bewaard. 6.2 Ook dit betoog gaat niet op. Zoals volgt uit het rapport van bevindingen, heeft de toezichthouder tijdens de inspectie zowel de slachthalbaas als de bedrijfsleider van zijn bevindingen op de hoogte gesteld en een rapport aangezegd. Naar aanleiding hiervan had de slachterij de mogelijkheid om op de dag van de overtredingen of kort daarna zelf onderzoek te doen en bewijs te verzamelen, zoals het bekijken van camerabeelden van het slachtproces. Volgens de slachterij veroorzaakte de mededeling van de toezichthouder grote ongerustheid bij haar medewerkers en kon de slachthalbaas de werkvloer niet verlaten. Die stelling kan de slachterij alleen al niet baten omdat de toezichthouder ook de bedrijfsleider op de hoogte heeft gesteld. Niet valt in te zien waarom hij niet op korte termijn de camerabeelden had kunnen controleren en verder onderzoek had kunnen verrichten, of zijn medewerkers daartoe opdracht had kunnen geven. De hogerberoepsgrond slaagt niet. Hoogte van de boete 7 Het College ziet geen aanleiding voor matiging van de boete wegens bijzondere omstandigheden op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat de slachterij, zoals zij benadrukt, veel moeite heeft gedaan om overtredingen te voorkomen door het invoeren van diverse waarborgen, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid als bijzondere omstandigheid. Het College verwijst naar wat zij hiervoor in 5.3 heeft overwogen. Net als de rechtbank concludeert het College dat er geen reden is voor matiging van de boete. De hogerberoepsgrond over de hoogte van de boete slaagt niet. Overschrijding redelijke termijn 8.1 De slachterij verzoekt om matiging van de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband hiermee heeft het College de Staat als partij aangemerkt. 8.2 In bestraffende zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel een jaar mag duren, de beroepsfase ook een jaar en de hoger beroepsfase twee jaar. De redelijke termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt. 8.3 In dit geval is de redelijke termijn begonnen op 14 april 2022, de datum waarop de staatssecretaris het voornemen tot het opleggen van een boete heeft uitgebracht. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn met ongeveer twee maanden overschreden. De overschrijding is volledig aan de rechterlijke fase toe te rekenen. Bij een overschrijding van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden wordt de boete verminderd met 5% met een maximum van € 2.500,-. Dat leidt in dit geval tot een matiging van de boete tot € 2.375,-. Slotsom 9.1 Wegens overschrijding van de redelijke termijn zal het College de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. Het College zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft, het boetebesluit in zoverre herroepen, het boetebedrag vaststellen op € 2.375,- en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. 9.2 Omdat de overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt door de duur van de behandeling in de rechterlijke fase, zal de Staat worden veroordeeld in de door de slachterij gemaakte proceskosten voor het doen van het verzoek om matiging van de boete wegens deze termijnoverschrijding. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5). Het College zal met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb bepalen dat de griffier het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559,- aan de slachterij terugbetaalt. De staatssecretaris zal op grond van het dwingendrechtelijk geformuleerde artikel 8:74, eerste lid, van de Awb worden veroordeeld tot volledige vergoeding van het door de slachterij betaalde griffierecht in beroep van € 365,-, omdat het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond wordt verklaard. Beslissing Het College: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank; - verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van de slachterij tegen het bestreden besluit gegrond; - vernietigt dit besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft; herroept het boetebesluit voor zover het de hoogte van de boete betreft en stelt de boete vast op € 2.375,-; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige; draagt de staatssecretaris op het in beroep betaalde griffierecht van € 365,- aan de slachterij te vergoeden; bepaalt dat de griffier van het College het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559,- aan de slachterij terugbetaalt; veroordeelt de Staat (ministerie van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van de slachterij tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. C.T.C. Welters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026. w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. C.T.C. Welters Bijlage Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden Artikel 4, eerste lid Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden. Artikel 15, eerst lid De bedrijfsexploitanten waarborgen dat de in bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen. Bijlage III, punt 3.2 Bij eenvoudige bedwelming of slacht overeenkomstig artikel 4, lid 4, worden systematisch de twee halsslagaders of de toevoerende bloedvaten doorgesneden. Elektrische stimulatie vindt alleen plaats nadat is vastgesteld dat het dier bewusteloos is. Verdere uitslachting of broeiing vindt alleen plaats nadat is vastgesteld dat het dier geen tekenen van leven meer vertoont. Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:46, derde lid Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Wet dieren Artikel 6.2, eerste lid Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. Regeling houders van dieren Artikel 5.8 Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, 9, 12, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste, tweede en derde lid, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, 19, 21, zesde lid, 24 en 28, eerste lid, van Externe link:verordening (EG) nr. 1099/2009.