Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-01-27
ECLI:NL:CBB:2026:28
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/254 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen [naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats 1] (appellanten) en de minister van Klimaat en Groene Groei (gemachtigde: mr. M.J. Schulte) Procesverloop Met het besluit van 31 augustus 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van appellanten voor subsidie op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies (thans: Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies) (Regeling) afgewezen. Met het besluit van 29 januari 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard. Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Appellanten hebben een nader stuk ingezonden. De zitting was op 27 augustus 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: appellanten en de gemachtigde van de minister. Het College heeft het onderzoek op de zitting geschorst om appellanten in de gelegenheid te stellen aanvullend bewijs te leveren waarna de minister zou beoordelen of alsnog subsidie kon worden verleend. Na de zitting heeft de minister een nader stuk ingezonden en meegedeeld dat het door appellanten geleverde nadere bewijs geen aanleiding vormt alsnog subsidie te verlenen. Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1.1 Deze zaak gaat over een subsidieaanvraag voor investeringen in dak-, gevel- en glasisolatie. Appellanten hebben de maatregelen aangebracht in hun appartement aan het [adres 1] te [woonplaats 2] . 1.2 De minister heeft de aanvraag van appellanten afgewezen en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard omdat de woning geen bestaande gebouwde onroerende zaak is die voorafgaand aan de isolatiemaatregelen een zelfstandige woongelegenheid vormde. Appellanten zijn volgens de minister de eerste bewoners van [adres 1] . Daarmee voldoet het appartement van appellanten niet aan de definitie van ‘woning’ in de zin van de Regeling en zijn de isolatiemaatregelen niet subsidiabel. Wettelijk kader 2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak. Standpunten van partijen 3.1 Appellanten zijn het niet eens met de minister dat hun woning voorafgaand aan de verduurzaming niet bewoond is geweest. Appellanten erkennen wel dat zij zelf pas in juni 2023, dus na de verbouwing en verduurzaming, in hun appartement zijn getrokken. Appellanten voeren aan dat zij de woning ook eerder (in augustus 2022 al) hadden kunnen betrekken en daarna hadden kunnen verbouwen en verduurzamen. Zij waren toen al eigenaar en de woning beschikte over een eigen toegang, keuken, douche en toilet. Dan hadden zij de woning verbouwd en verduurzaamd, terwijl zij er woonden. In dat geval zou de subsidie zijn toegewezen omdat buiten kijf stond dat de woning bewoond was geweest voorafgaand aan de verduurzaming. Vanwege persoonlijke omstandigheden hebben zij daar echter niet voor gekozen, maar hebben zij eerst verbouwd en verduurzaamd en zijn zij daarna pas in de woning getrokken. Voorts voeren appellanten aan dat er in hun geval geen sprake was van een nieuwe woning die aan de woonvoorraad is toegevoegd en waarvan zij de eerste bewoners zijn, zoals de minister stelt. Het appartement [adres 1] maakte deel uit van de bestaande woning van [adres 2] . Het toekennen van een nieuw huisnummer is volgens appellanten niet doorslaggevend. De voorzieningen die de woning aan het [adres 2] had, zijn de voorzieningen die voor de woning aan het [adres 1] zijn gebruikt. Bovendien had de woning ( [adres 1] ) sinds 12 oktober 2021 een woonfunctie in het BAG. Appellanten hebben, kortom, niet van e De voorzieningen die behoorden bij die woning ( [adres 2] ) zijn immers de voorzieningen van [adres 1] geworden. Naar het oordeel van het College hebben appellanten aannemelijk gemaakt dat deze woning, als voorloper van hun appartement, als zodanig bewoond is geweest. Appellanten hebben dit gedaan door een verklaring over te leggen van de vader van één van de appellanten. Hij verklaart dat de familie al generaties woonachtig is in het woongedeelte van [adres 2] . Ook hebben appellanten zelf meermaals verklaard dat het woongedeelte van [adres 2] , dat sinds 1975 in de familie is, altijd als zodanig in gebruik is geweest. Ter onderbouwing daarvan hebben appellanten onder meer een WOZ-waardebepaling overgelegd. Een WOZ-waardebepaling vormt weliswaar geen bewijs voor de vaststelling dat een onroerende zaak onder de ISDE een woning is, maar wel maakt deze waardebepaling het in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het College, aannemelijk dat [adres 2] daadwerkelijk als woning in gebruik was. Alles bij elkaar genomen, oordeelt het College daarom dat appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat (de voorganger van) hun appartement als zodanig in gebruik is geweest en zij dus een bestaande woning hebben verduurzaamd. Naar het oordeel van het College heeft de minister dit onvoldoende concreet bestreden. Het College wijst er tot slot op dat uit de definitie van eigenaar-bewoner blijkt dat niet is vereist of kan zijn dat appellanten hun appartement voorafgaand aan de renovatie zelf hadden moeten bewonen. Die definitie geeft immers uitdrukkelijk de ruimte om een woning of appartement waarvan men eigenaar wordt, pas na het uitvoeren van renovatiemaatregelen te gaan bewonen. Vanwege de bijzondere omstandigheden waarin appellanten toen verkeerden, hebben appellanten hun woning niet meteen na aankoop betrokken. Dat dit wel had gekund, wordt ondersteund door het overgelegde taxatierapport waaruit blijkt dat de woning in bewoonbare staat was. Appellanten hebben de woning echter eerst gerenoveerd en verduurzaamd. Het College weegt hierbij mee dat de minister onvoldoende heeft bestreden dat, in het geval appellanten de woning meteen na aankoop hadden betrokken, de minister geen punt zou hebben gemaakt van de vraag of de woning voorafgaand aan de verduurzaming als zodanig bewoond was geweest, terwijl ook in dat geval het appartement aan [adres 1] voortkwam uit de woning aan [adres 2] . 4.7 Anders dan de minister meent, is het College daarom van oordeel dat appellanten met de isolatiemaatregelen in hun appartement een bestaande woning hebben verduurzaamd. Er is geen sprake geweest van het toevoegen van een nieuwe woning aan de woningvoorraad via transformatie van een ruimte die voorafgaand aan de investering geen woning was en als zodanig evenmin in gebruik is geweest maar pas door appellanten tot woning is gemaakt en in gebruik is genomen. 4.8 De beroepsgrond slaagt. Slotsom 5 Het beroep is gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen. De minister zal binnen zes weken opnieuw op het bezwaar van appellanten moeten beslissen en daarbij rekening houden met het oordeel van het College. 6 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing Het College: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak; - draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan appellanten te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van A.C.M. Lijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026. De rechter is verhinderd de uitspraak w.g. A.C.M. Lijten te ondertekenen Bijlage Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies Artikel 22, eerste lid, onder a 1. Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. de aanvraag niet voldoet aan