Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-01-27
ECLI:NL:CBB:2026:26
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1194 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 op het hoger beroep van: [naam 1] , te [woonplaats] (gemachtigde: mr. F. Jagersma) tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 april 2023, waarbij is beslist op een klacht, ingediend door het Openbaar Ministerie (OM), Landelijk Parket, te Amsterdam, tegen [naam 1] (gemachtigde: mr. D.E. Kruimel) Procesverloop in hoger beroep [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 april 2023, nummer 22/1740 (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2023:31). [naam 1] heeft nadere stukken ingediend. De zitting was op 14 augustus 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van het OM, vergezeld door mr. drs. [naam 2] . Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende. 1.2 [naam 1] stond sinds 15 november 1999 ingeschreven als registeraccountant in het register van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants. De inschrijving in het accountantsregister is op verzoek van [naam 1] per 1 maart 2024 doorgehaald. 1.3.1 [naam 1] is sinds 8 maart 1999 bestuurder en enig aandeelhouder van [naam 3] B.V. ( [naam 3] ). [naam 3] gebruikt ook de handelsnaam [naam 4] . [naam 3] is met ingang van dezelfde datum enig aandeelhouder van [naam 5] B.V. ( [naam 5] ). Sinds 31 oktober 2014 is [naam 1] hiervan bestuurder. [naam 5] heeft meerdere handelsnamen, waaronder [naam 6] en [naam 7] . 1.3.2 [naam 8] was bevoegd functionaris van [naam 9] B.V. ( [naam 9] ). 1.3.3 [naam 10] is sinds de oprichting op 5 juni 2014 enig bestuurder van [naam 11] B.V. ( [naam 11] ). 1.3.4 [naam 12] is sinds 1 april 2015 bestuurder en enig aandeelhouder van [naam 13] B.V. ( [naam 13] ). 1.4 In een strafrechtelijke procedure tegen [naam 1] heeft het gerechtshof Amsterdam met het arrest van 25 januari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:189) bewezen geacht dat – voor zover hier van belang – [naam 1] de volgende aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan: “ Ten aanzien van feit 1 : in de periode van 1 november 2016 tot en met 30 november 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, te weten: een factuur verzonden door of afkomstig van [naam 3] B.V. en gericht aan [naam 13] B.V. ( [adres] te [plaats] ) gedateerd 15 november 2016, bestaande de valsheid hierin dat op het geschrift valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat sprake was van de op de factuur vermelde "overname verplichting [naam 14] B.V./Dhr [naam 12] met factuurnummer 201.604 , gedateerd op 15 november 2016", voor een bedrag van 62.500 euro inclusief BTW terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een "overname verplichting"; Ten aanzien van feit 2 : [naam 3] B.V. en/of [naam 5] B.V. op tijdstippen in de periode van 24 januari 2013 tot en met 31 december 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk de hierna (onder a, b, c, d, e, f, g, h, i, en j) genoemde valselijk opgemaakte geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen voorhanden heeft gehad, terwijl [naam 3] B.V. en/of [naam 5] B.V. en/of zijn mededaders (telkens) wisten dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren deze echt en onvervalst, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen [naam 1] feitelijk leiding heeft gegeven, te weten de geschriften: a. een factuur van het bedrijf [naam 9] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Managementadvies Q1 " met factuurnummer 2013004 , d.d. 24 De accountantskamer heeft over het argument van [naam 1] dat de verwijten geen verband houden met het verrichten van een professionele dienst als accountant overwogen dat in de toelichting op de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) staat dat het begrip professionele dienst uit artikel 1 van de VGBA ruim moet worden opgevat, en dat volgens dat artikel een dienst professioneel is als bij de werkzaamheden vakbekwaamheid wordt of kan worden aangewend. Verder staat volgens de accountantskamer vast dat [naam 1] eraan heeft meegewerkt en geaccepteerd dat gedurende een ruime periode (2013 tot en met 2017) in totaal twaalf facturen in het maatschappelijk verkeer zijn gebracht die valse informatie bevatten. Hierdoor heeft [naam 1] in ernstige mate de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit geschonden (artikelen 4 en 6 van de VGBA). De accountantskamer heeft aan [naam 1] de maatregel opgelegd van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers en de termijn waarbinnen hij niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven bepaald op tien jaar. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 3 Het College stelt het volgende voorop. In het hogerberoepschrift wordt vermeld dat het hoger beroep mede gericht is tegen de op de zitting (bij de accountantskamer) genomen beslissingen. In het (aanvullend) hogerberoepschrift en op de zitting is niet nader toegelicht om welke op de zitting genomen beslissingen het gaat en ook argumenten ter onderbouwing ontbreken. In zoverre is geen sprake van een expliciete hogerberoepsgrond. Het College zal daarom dit punt verder buiten beschouwing laten. Professionele dienst 4.1 [naam 1] handhaaft zijn standpunt dat de hier (in klachtonderdelen a en b) voorliggende door hem verrichte werkzaamheden niet kunnen worden aangemerkt als professionele dienst in de zin van artikel 1 van de VGBA. De verwijten zien namelijk niet op de werkzaamheden van [naam 1] in zijn hoedanigheid als accountant, maar als bestuurder van [naam 3] en [naam 5] . Het opmaken, voorhanden hebben en betalen van facturen hebben niets te maken met de vakbekwaamheid als accountant, maar betreffen typische bestuursdaden. De verweten gedragingen staan in een te ver verwijderd verband met het uitoefenen van het beroep van accountant om onder het accountantstuchtrecht te vallen. De accountantskamer heeft dit miskend. 4.2 Voor de definitie van een professionele dienst en een uitgebreide beschrijving van het tuchtrechtelijke toetsingskader met betrekking tot dit begrip verwijst het College naar zijn uitspraak van 22 maart 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:128), onder 7.4 en 7.5. Uit het in die uitspraak onder 7.4 weergegeven wettelijk kader en de daarbij behorende toelichting blijkt dat wanneer bij werkzaamheden vakbekwaamheid wordt of kan worden aangewend, sprake is van een professionele dienst. In artikel 1 van de VGBA wordt het begrip vakbekwaamheid gedefinieerd als: beschikken over en kunnen toepassen van de noodzakelijke theoretische kennis van de vakgebieden, genoemd in artikel 2 van het Besluit accountantsopleiding 2013. In artikel 2 van het Besluit accountantsopleiding 2013 staat dat de opleiding, bedoeld in artikel 46 van de Wet op het accountantsberoep, betrekking heeft op de vakgebieden, bedoeld in artikel 8 van Richtlijn nr. 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen (Richtlijn 2006/43). Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van tRichtlijn 2006/43 heeft de toetsing van de theoretische kennis die deel uitmaakt van het examen onder meer betrekking op het vakgebied algemene theorie en beginselen van de boekhouding. Het College is van oordeel dat werkzaamheden als het opmaken, voorhanden hebben en betalen van facturen kunnen worden geschaard onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van Richtlijn 2006/43. Deze werkzaamheden vallen namelijk in ieder geval onder het begrip Dit heeft zij blijkens de bestreden uitspraak gedaan door kennis te nemen van het klaagschrift met bijlagen, waaronder afschriften van de in de klachtonderdelen genoemde facturen, diverse (ten behoeve van de strafzaak opgemaakte) processen-verbaal en het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2021, het door [naam 1] ingediende verweerschrift en de aanvulling daarop, een e-mail, met bijlagen, van [naam 1] van 22 januari 2023 en de op de zitting van 6 februari 2023 overgelegde pleitaantekeningen. Op de zitting van 6 februari 2023 – zo blijkt uit het proces-verbaal van die zitting – is [naam 1] door de accountantskamer uitgebreid bevraagd over onder meer de in de klachtonderdelen genoemde facturen, alsook over de familiale verhoudingen met [naam 8] , [naam 10] en [naam 12] . Alleen hieruit blijkt al van eigen onderzoek door de accountantskamer naar de door het OM gestelde feiten en omstandigheden, op grond waarvan zij tot haar (tuchtrechtelijke) oordeel is gekomen. Dat de accountantskamer in haar (tuchtrechtelijke) oordeel over het handelen van [naam 1] met betrekking tot de facturen uit klachtonderdeel a onder 5.11 van de bestreden uitspraak verwijst naar het oordeel van de rechtbank Amsterdam in het vonnis van 11 oktober 2021, betekent niet dat geen eigen beoordeling, met toepassing van het tuchtrechtelijke toetsingskader, door de accountantskamer heeft plaatsgevonden. Het stond het OM vrij om, ter onderbouwing van de klacht, stukken uit het dossier van de tegen [naam 1] gevoerde strafzaak als bijlagen bij het klaagschrift over te leggen. De accountantskamer heeft vervolgens, mede op grond van die stukken (waaronder het vonnis van de rechtbank Amsterdam) en met toepassing van het tuchtrechtelijke toetsingskader, de klacht beoordeeld. Dat de accountantskamer zich op punten kon vinden in de motivering van de strafrechter en deze motivering heeft overgenomen en aangevuld, maakt niet dat aan het oordeel van de accountantskamer geen eigen afweging en beoordeling ten grondslag heeft gelegen. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet. Klachtonderdeel a 6.1 [naam 1] kan zich niet vinden in het onder 5.13 van de bestreden uitspraak weergegeven oordeel van de accountantskamer. [naam 1] betwist uitdrukkelijk dat er tegenover de genoemde betaalde facturen geen verrichte werkzaamheden staan. Zowel uit het door de politie verrichte onderzoek als uit de door hem overgelegde e-mailberichten blijkt duidelijk dat [naam 8] en [naam 10] werkzaamheden hebben verricht voor [naam 3] en [naam 5] . Voor zover er geen of relatief weinig werkzaamheden zijn verricht, betwist [naam 1] dat hij daarvan op de hoogte was. Met betrekking tot het oordeel van de accountantskamer dat [naam 1] zich ervan diende te onthouden om in de administraties van [naam 3] en [naam 5] valse facturen op te nemen, voert [naam 1] aan dat dit verwijt geen onderdeel uitmaakt van de klacht. Bovendien kan dit verwijt alleen doel treffen als bewezen is dat [naam 1] wist dat de facturen vals waren. Daar is echter niets van gebleken. Ook het gerechtshof Amsterdam heeft niet vastgesteld dat [naam 1] wist dat het om valse facturen ging. Verder blijkt noch uit het strafdossier, noch uit het klaagschrift dat [naam 1] op de hoogte was van wat er gebeurde met de bedragen die hij naar aanleiding van de ontvangen facturen betaalde aan [naam 8] en [naam 10] . Alles bij elkaar is niet aannemelijk geworden dat [naam 1] ten aanzien van de facturen van [naam 9] en [naam 11] in strijd met de artikelen 4 en 6 van de VGBA heeft gehandeld. De accountantskamer heeft daarom klachtonderdeel a ten onrechte gegrond verklaard. 6.2 De accountantskamer heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat [naam 1] de facturen van [naam 9] en [naam 11] voorhanden heeft gehad en betaald, terwijl de gefactureerde werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Zij heeft daarbij in 5.10 verwezen naar (delen van) de overwegingen 2.3.3 tot en met 2.3.3.2 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam 6.3.2 Verder is het College met de accountantskamer van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [naam 1] de facturen van [naam 9] en [naam 11] voorhanden heeft gehad en betaald, terwijl de gefactureerde werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Tegen het door het OM uitvoerig gemotiveerde en gedocumenteerde klachtonderdeel a heeft [naam 1] onvoldoende ingebracht om het oordeel van de accountantskamer terzijde te schuiven. [naam 1] is er niet in geslaagd om aan te wijzen dat, en zo ja welke, werkzaamheden staan tegenover de facturen waarop klachtonderdeel a ziet. De facturen van [naam 9] en [naam 11] zijn – in de periode tussen 2013 en 2017 – op wisselende tijdstippen en voorzien van wisselende bedragen aan (een onderneming van) [naam 1] verstuurd en vervolgens door hem betaald. De facturen bevatten enkel omschrijvingen zoals ‘Managementadvies’, ‘Advisory’, ‘Ondersteuning’ en ‘Financiële ondersteuning’. Iedere specificatie van de te verrichten dan wel de uitgevoerde werkzaamheden ontbreekt, net als data waarop die werkzaamheden zouden worden dan wel zijn verricht en het aantal daarmee gemoeide uren. Schriftelijke stukken waaruit afdoende zou blijken van de gestelde met [naam 10] en [naam 8] gemaakte afspraken omtrent de voor (een onderneming van) [naam 1] te verrichten werkzaamheden ontbreken eveneens. Of [naam 1] op de hoogte was van de bestemming van de bedragen die hij naar aanleiding van de ontvangen facturen betaalde aan [naam 8] en [naam 10] , doet hier verder niet ter zake nu dat geen onderdeel van klachtonderdeel a uitmaakt. Het op de zitting bij het College door [naam 1] gehouden betoog dat hij erkent dat in de desbetreffende periode zijn administratie op bepaalde punten slordig was, dat hij omdat het ging om afspraken met familie wellicht onzorgvuldig(er) gewerkt heeft en dat hij zichzelf op geen enkele wijze heeft verrijkt, maakt niet dat, wat daar ook van zij, hem geen verwijt kan worden gemaakt van het voorhanden hebben en betalen van facturen zonder dat daar een (van de) gefactureerde dienst(en) tegenover staat. De hogerberoepsgronden gericht tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel a slagen niet. Klachtonderdeel b 7.1 Over klachtonderdeel b voert [naam 1] aan dat hij in de veronderstelling was dat de factuur groot € 62.500,- van 31 maart 2015 van [naam 13] wegens “Business advisory 2015” zag op bedrijfskosten en dat hij deze factuur om die reden ook als bedrijfskosten in de administratie heeft opgenomen. Dat achteraf is gebleken dat het ging om een lening, maakt niet dat hij in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit. Verder kan [naam 1] zich niet vinden in het oordeel van de accountantskamer dat de aan [naam 13] verzonden factuur van 15 november 2016 bewijsbestemming had. De accountantskamer is ten onrechte voorbijgegaan aan het verweer dat door deze factuur geen derden misleid zijn. De ontvanger van de factuur was namelijk op de hoogte van de betekenis van de factuur en had deze instructie zelf doorgegeven. Van het opzettelijk valselijk opmaken van een factuur is geen sprake. Daarnaast is de Belastingdienst door het verwerken van de factuur in de administratie op geen enkele manier misleid. Er was sprake van een transactie in familiale sfeer en de factuur is slechts opgemaakt om een eerdere administratieve fout fiscaal te herstellen. Deze zienswijze is ook gevolgd door de Belastingdienst. 7.2 De accountantskamer heeft allereerst vastgesteld dat het klachtonderdeel ziet op zowel de betaling door [naam 1] van de factuur van [naam 13] van 31 maart 2015, als op het opmaken van de factuur aan [naam 13] van 15 november 2016 door [naam 1] , anders dan in de strafrechtelijke procedure waar alleen de factuur van 15 november 2016 ten laste is gelegd. De accountantskamer heeft in de bestreden uitspraak onder 5.17 tot en met 5.20 het volgende overwogen en geoordeeld, waarbij voor ‘betrokkene’ ‘ [naam 1] ’ moet worden gelezen. “5.17. Betrokkene heeft aangevoerd da Blijkens het op die datum van het gehouden verhoor opgemaakte proces-verbaal heeft [naam 1] de vraag of [naam 12] gelijk heeft als hij zegt dat het bedrag (van € 62.500,-) in werkelijkheid een lening was, bevestigend beantwoord. Het College onderschrijft daarom het oordeel van de accountantskamer dat [naam 1] de factuur van 31 maart 2015 van [naam 13] ten onrechte als bedrijfskosten in de administratie heeft verwerkt, terwijl het feitelijk ging om een verstrekte geldlening. 7.4.1 Wat betreft de aan [naam 13] verzonden factuur van 15 november 2016 heeft [naam 1] op de zitting (nogmaals) erkend dat hij daarmee de fout is ingegaan, maar niet met het oogmerk om iemand te benadelen. Nadat de toegezegde werkzaamheden niet waren uitgevoerd, heeft [naam 1] , naar eigen zeggen op aangeven van zijn oom, de factuur van 15 november 2016 van € 62.500,- opgemaakt om zo de situatie, ten opzichte van 2015, fiscaal gezien weer recht te trekken. 7.4.2 Mede gelet op de erkenning van [naam 1] dat hij ten aanzien van de factuur van 15 november 2016 onjuist heeft gehandeld, onderschrijft het College ook hier het oordeel van de accountantskamer dat voldoende aannemelijk is dat [naam 1] die factuur heeft opgemaakt, terwijl welbeschouwd sprake was van terugbetaling van een lening. [naam 1] heeft op dit punt niets aangevoerd wat leidt tot een ander oordeel. Dat, zoals [naam 1] stelt, geen derden zouden zijn misleid en geen bevoordeling dan wel benadeling van zichzelf of anderen zou hebben plaatsgevonden, neemt niet weg dat het gaat om het valselijk opmaken van een factuur, wat in strijd is met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit. Of de factuur van 15 november 2016 bewijsbestemming had (zoals de accountantskamer onder 6 bij de motivering van de op te leggen maatregel heeft overwogen), hoeft in deze procedure niet te worden vastgesteld. Weliswaar is dat een bestanddeel van het in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijf valsheid in geschrifte, maar het is geen onderdeel van het verwijt in de klacht. Daarnaast is, binnen het tuchtrechtelijke toetsingskader, het hebben van bewijsbestemming van een factuur geen vereiste om te komen tot het oordeel dat sprake is van een vals opgestelde factuur. De hogerberoepsgrond gericht tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel b slaagt niet. Maatregel 8.1 Op de zitting bij het College heeft [naam 1] te kennen gegeven dat hij de door de accountantskamer opgelegde maatregel als onrechtvaardig ervaart. Het OM is van mening dat de opgelegde maatregel in stand moet worden gelaten. 8.2 Zoals hiervoor is overwogen, onderschrijft het College het oordeel van de accountantskamer dat [naam 1] door gedurende een langere periode facturen met valse informatie in het maatschappelijk verkeer te hebben gebracht en/of betaald, hij in ernstige mate de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit heeft geschonden. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat de maatregel van doorhaling van de inschrijving in de registers in een dergelijk geval passend en geboden is. Daarentegen vindt het College de door de accountantskamer bepaalde termijn van tien jaar waarbinnen [naam 1] niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven niet proportioneel. Gelet op de aard en de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen in samenhang bezien met de omstandigheid dat [naam 1] niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, acht het College een aan de doorhaling te verbinden termijn van vijf jaar waarbinnen [naam 1] niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven, passend en geboden. Conclusie 9 De slotsom is dat het hoger beroep slaagt, voor zover in de bestreden tuchtuitspraak de termijn waarbinnen [naam 1] niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven is bepaald op tien jaar. De uitspraak van de accountantskamer dient in zoverre te worden vernietigd. Het College zal de zaak zelf afdoen en de termijn waarbinnen [naam 1] niet opnieuw in de registers k