Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-01-27
ECLI:NL:CBB:2026:23
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 25/75 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen [naam 1] , te [woonplaats] (vennootschap) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen) Procesverloop Met het besluit van 17 september 2024 (kortingsbesluit) heeft de minister – voor zover hier van belang – op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 (Uitvoeringsregeling) een korting van 3% vastgesteld op de aan de vennootschap voor het kalenderjaar 2023 toegekende subsidies uit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Met het besluit van 20 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister – voor zover hier van belang – het door de vennootschap tegen het kortingsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 30 oktober 2025. Aan de zitting hebben [naam 2] en [naam 3] , vennoten van de vennootschap, en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Tevens hebben [naam 4] en [naam 5] , beiden als toezichthouder werkzaam voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), aan de zitting deelgenomen. Overwegingen Inleiding 1.1 Het GLB 2023 van de Europese Unie is voor zover hier van belang vastgelegd in Verordening (EU) 2021/2115, Verordening (EU) 2021/2116 en Gedelegeerde Verordening 2022/1172. Er is geen sprake van een compleet nieuw systeem, maar wel van een aantal wijzigingen ten opzichte van het GLB zoals dat tot 1 januari 2023 gold. De nationale invulling van de GLB-verordeningen is onder meer neergelegd in de Uitvoeringsregeling. 1.2 Paragraaf 11 (Conditionaliteiten) van de toelichting op de Uitvoeringsregeling in de Staatscourant luidt voor zover hier van belang als volgt: “De inzet van het GLB is bij te dragen aan een land- en tuinbouw sector die kan voorzien in veilig, gezond en betaalbaar voedsel waarbij in de productie rekening wordt gehouden met milieu, dierenwelzijn en dierengezondheid. Vanaf 2005 komen landbouwers alleen in aanmerking voor rechtstreekse betalingen als ze voldoen aan uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RBE’s) op deze terreinen en de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van de grond (GLMC’s). Dit pakket normen en eisen werden de randvoorwaarden genoemd. Deze randvoorwaarden worden in het nieuwe GLB ‘conditional[i]teit’ genoemd en worden, met enkele aanpassingen, gecontinueerd.” 2 Met het – in het bestreden besluit gehandhaafde – kortingsbesluit heeft de minister een korting van 3% voor de aan de vennootschap voor het kalenderjaar 2023 toegekende GLB-subsidies vastgesteld, omdat de vennootschap de voorwaarde (conditionaliteit) dat een landbouwer geen verboden lichamelijke ingrepen bij dieren uitvoert, niet heeft nageleefd (artikel 2.8, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, van de Wet dieren en hoofdstuk 2 van het Besluit diergeneeskundigen). Wettelijk kader 3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Standpunten van partijen De beroepsgronden 4 De vennootschap betwist een verboden lichamelijke ingreep te hebben uitgevoerd, omdat het – anders dan de toezichthouders stellen – hier niet gaat om neustussenschot-perforerende ringen. De bij de vier vrouwelijke runderen gebruikte gladde stierenringen waren zodanig aangepast dat ze niet het tussenschot van de neus perforeerden, maar tegen het neustussenschot aanzaten. Tijdens de uitgevoerde inspectie hebben de toezichthouders van de NVWA dit niet geconstateerd, omdat ze niet de moeite hebben genomen om de ringen rond te draaien dan wel de ringen uit de neuzen te verwijderen. De door haar aangepaste neusringen functioneren volgens de vennootschap niet anders dan de wel bij vrouwelijke runderen (van kunststof of aluminium gemaakte) toegestane neusringen. De vennootschap vindt het daarom onterecht dat zij met 3% wordt gekort op de aan haar voor 2023 toegekende Ik zag hierin onder meer vermeld dat alle vier voornoemde runderen op de bedrijfslocatie [adres] , [postcode] [woonplaats] op het bedrijf [naam 1] waren geboren en nimmer waren verplaatst naar een andere inrichting. Bijlage 3. Als bijlage 3 is bij dit rapport van bevindingen gevoegd een overzicht uit het I&R systeem rund, m.b.t. de verblijfplaatsen van de vier voornoemde runderen welke allen voorzien waren van een neustussenschot-perforerende ring. […] Op maandag 13 maart 2023, omstreeks 12.05 uur, spraken wij, toezichthouders, in de woning van het [naam 1] , dat is gelegen op de locatie [adres] , [postcode] [woonplaats] , gelegen binnen de gemeente [naam 6] , de ons bekende en de ons in onze functie kennende melkveehouder [naam 2] , om een verklaring van hem op te nemen. Ik, toezichthouder [nummer 6] , heb hem medegedeeld dat wij, toezichthouders, hem wilden horen naar aanleiding van onze bevindingen ten aanzien van het door ons, toezichthouders, op donderdag 09 maart 2023 aantreffen van vier vrouwelijke runderen op het bedrijf, die allen voorzien waren van neustussenschotdoorborende ringen (zgn. gladde stierenneusring) hetgeen een niet toegestane ingreep betreft. […] Toelichting toezichthouders: Op donderdag 09 maart 2023 troffen wij, toezichthouders, vier volwassen vrouwelijke runderen in uw stal aan, voorzien van merken met werknummer [nummer 3] , respectievelijk [nummer 4] , respectievelijk [nummer 2] respectievelijk [nummer 1] , die allen voorzien waren van zgn. een gladde stierenneusring? Vraag: Wie heeft deze gladde stierenneusringen aangebracht bij deze runderen, wanneer en waarom zijn ze aangebracht ? Antwoord: "Ik heb deze neusringen destijds aangebracht omdat alle vier runderen zgn. melkzuipers waren. Alle vier runderen zoogden destijds aan de spenen van andere runderen. Soms begonnen ze daar al mee als pink (jong volwassen rund) dan wel dat ze in de groep met melkgevende runderen liepen. Dat is dus hoogst irritant en dat kan ook uierontstekingen opleveren. Het aanbrengen van zo'n stierenring vind ik de beste methode om dat vervelende gedrag te voorkomen. Toen ik de neusringen had gebracht, stopte het zuigen aan de spenen dus ook. Maar ik wist toen nog niet dat het aanbrengen van stierenringen bij vrouwelijke runderen niet was toegestaan. Later hoorde ik pas dat dat niet mocht. Nadien heb ik dat dus ook niet meer gedaan. Ik dacht, als ik deze vier runderen dan t.z.t. afvoer van mijn bedrijf, dan haal ik dan die neusringen er wel uit en dan is het opgelost. Bij twee andere runderen op mijn bedrijf, die ook zoogden aan de spenen van andere runderen, heb ik nadien dus een neusklemmende ring met opstaande uitstekels aangebracht en dan mag dus wel. Maar zo'n neusklemmende ring is helaas lang zo doeltreffend niet als een stierenring". Vraag: Wilt u nog iets aan uw verklaring toevoegen? Antwoord: "Voor de rest heb ik niks toe te voegen". […] Bijlage 6. Op donderdag 16 maart 2023 ontving ik, toezichthouder [nummer 6] , per e-mail de door overtreder [naam 2] op 15 maart 2023 ondertekende verklaring retour, welke als bijlage 6 bij dit rapport van bevindingen is gevoegd. Ik zag vermeld dat overtreder [naam 3] enkele geschreven aanvullingen bij zijn verklaring had vermeld. Deze aanvullingen zijn hier navolgend weergegeven. Ik heb alleen gezegd dat ik neusklemmende ringen met punten gevaarlijk vind omdat zij voor verwondingen kunnen zorgen. Ik heb niet gezegd dat neusklemmende ringen niet effectief zijn. Ik verklaar met het aanbrengen van de ringen ter goeder trouw gehandeld te hebben. ” 7.2 Dat het aanbrengen van een neustussenschot-perforerende ring is aan te merken als een verboden lichamelijke ingreep, is tussen partijen niet in geschil. Wat partijen wel verdeeld houdt is of de door de toezichthouders tijdens de op 9 maart 2023 uitgevoerde controle bij vier runderen aangetroffen neusringen wel (volgens de toezichthouders) of niet (volgens de vennootschap) het neustussenschot van de runderen perforeerden. Het College overwee 7.4.3 Uit de in het rapport van bevindingen beschreven gang van zaken blijkt dat de vennootschap op geen enkel moment, bijvoorbeeld op het moment dat de toezichthouders haar de naar aanleiding van hun bevindingen geconstateerde overtreding voorhielden (op 9 maart 2023), dan wel tijdens het hoorgesprek met de toezichthouders (13 maart 2023) of na het doorlezen, aanvullen en ondertekenen van de door [naam 2] afgelegde verklaring (15 maart 2023), heeft betwist dat de bij de vier runderen aangetroffen neusringen het neustussenschot perforeerden, zoals haar werd voorgehouden. Aan het voor het eerst in bezwaar en beroep door de vennootschap naar voren gebrachte argument dat het zou gaan om aangepaste, niet neustussenschot-perforerende gladde stierenringen, komt onder die omstandigheden niet de door haar gewenste waarde toe. Ook als juist is dat de toezichthouders – zoals de vennootschap aanvoert – de neusringen bij de vier runderen niet hebben rondgedraaid of verwijderd is dat, gelet op wat hiervoor is overwogen, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het rapport van bevindingen onjuist is. 7.5 Het feit dat de minister heeft afgezien van het voornemen om de vennootschap voor dezelfde overtreding een bestuurlijke boete op te leggen, betekent op zichzelf niet dat hij ook had moeten afzien van het vaststellen van een korting op de aan de vennootschap voor het kalenderjaar 2023 toegekende GLB-subsidies. Het gaat hier namelijk om – zoals de minister terecht heeft opgemerkt – verschillende wetgeving met een ander toetsingskader. Volledigheidshalve stelt het College vast dat uit de overgelegde boetebeschikking van 30 juni 2023 blijkt dat van het voornemen tot boeteoplegging is afgezien omdat de overtreding is begaan in de periode dat die nog niet bestuurlijk beboetbaar was. Een inhoudelijke beoordeling van de geconstateerde overtreding heeft daarbij dus niet plaatsgevonden. 8 Dit alles leidt tot de conclusie dat de minister terecht tot de slotsom is gekomen dat de vennootschap in strijd heeft gehandeld met het eerste lid van artikel 2.8 van de Wet dieren. Niet is gebleken dat een van de in het tweede lid van artikel 2.8 van de Wet dieren genoemde uitzonderingen zich hier voordoet. Daarmee staat vast dat sprake is van het niet naleven van de beheerseis (conditionaliteit), als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2021/2115, opgenomen in bijlage 3 bij artikel 32, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, onder RBE 11.21 – Ingrepen. Slotsom 9 Gelet op het voorgaande heeft de minister op grond van artikel 32, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, in samenhang met artikel 84, eerste lid, en artikel 85, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2021/2116 terecht een korting van 3% vastgesteld op de aan de vennootschap voor het kalenderjaar 2023 toegekende GLB-subsidies. Het beroep is ongegrond. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. M.L. Noort en mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026. w.g. H.L. van der Beek w.g. J.M. Baars Bijlage Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd Artikel 12 1. De lidstaten nemen in hun strategische GLB-plannen een conditionaliteitssysteem op, op grond waarvan aan landbouwers en andere begunstigden die rechtstreekse betalingen krachtens hoofdstuk II of jaarlijkse betalingen krachtens de artikelen 70, 71 en 72 ontvangen, een administratieve sanctie wordt opgelegd als zij niet voldoen aan de uit het Unierecht voortvloeiende beheerseisen en de in het strategisch GLB-plan vastg