Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-01-27
ECLI:NL:CBB:2026:21
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 22/2176 en 23/1432 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaken tussen: [naam] , te [woonplaats] (vennootschap) (gemachtigde: A.H.J. van der Putten) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa) Procesverloop in (hoger) beroep 22/2176 De vennootschap heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 september 2022 met zaaknummer 22/772 (niet gepubliceerd) (aangevallen uitspraak). De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. 23/1432 Met het besluit van 4 augustus 2021 (intrekkingsbesluit) heeft de minister de derogatievergunning van de vennootschap voor het jaar 2018 ingetrokken en de vennootschap voor het jaar 2022 uitgesloten van deelname aan derogatie. Met het besluit van 24 december 2021 heeft de minister het bezwaar voor zover dat was gericht tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Beide zaken De zitting was op 28 maart 2025. De zaken zijn gevoegd behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Grondslag van het geschil 1.1 De vennootschap exploiteert een melkveehouderij. 1.2 In 2018 had de vennootschap een derogatievergunning op grond waarvan zij onder voorwaarden meer stikstof uit dierlijke mest mocht gebruiken (250 kg per hectare) dan op basis van de reguliere gebruiksnorm dierlijke meststoffen is toegestaan (170 kg per hectare). De vergunningsvoorwaarden houden onder meer in dat deze en andere gebruiksnormen niet overschreden mogen worden. 1.3 Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben de vennootschap gecontroleerd op naleving van de gebruiksnormen en derogatievoorwaarden in het jaar 2018. De toezichthouders hebben de bevindingen van hun onderzoek neergelegd in een rapport van 17 februari 2020. 1.4 Met het intrekkingsbesluit heeft de minister de derogatievergunning voor 2018 van de vennootschap ingetrokken en haar voor het jaar 2022 uitgesloten van deelname aan derogatie. Daarnaast heeft de minister met het besluit van 4 augustus 2021 (boetebesluit) aan de vennootschap boetes van in totaal € 7.018,95 opgelegd. Aan deze besluiten heeft de minister het volgende ten grondslag gelegd. Uit het door de toezichthouders van de NVWA opgemaakte rapport blijkt dat de vennootschap in 2018 de verhoogde gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 174 kg stikstof heeft overschreden en de formulieren Aanvullende Gegevens Landbouwbedrijven (AGL) 2017 en 2018 niet naar waarheid heeft ingevuld. Als gevolg hiervan heeft zij niet voldaan aan alle derogatievoorwaarden en heeft de minister de derogatievergunning voor 2018 ingetrokken. Zonder derogatievergunning geldt de lagere, reguliere gebruiksnorm dierlijke meststoffen van 170 kg stikstof per hectare. De vennootschap heeft die norm in 2018 met 3.747 kg overschreden. De overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen leidt tot een boete van € 26.229,-. De minister heeft aanleiding gezien het deel van deze boete dat het gevolg is van het verval van derogatie te matigen met 75%, omdat sprake is van een geringe overschrijding van de derogatienorm. Daarnaast heeft de minister de boete met nog eens 10% gematigd, omdat er meer dan 26 weken zaten tussen de datum waarop het boeterapport is opgemaakt en de datum waarop aan de vennootschap een boete is opgelegd. Deze matiging volgt uit het door de minister gevoerde Boetebeleid Meststoffenwet RVO (Boetebeleid). Voor het niet naar waarheid invullen van de AGL 2017 en 2018 heeft de minister twee boetes opgelegd met een totaalbedrag, na matiging, van € 300,-. 1.5 Met het besluit van 24 december 2021 heeft de minister op de bezwaren van de vennootschap tegen het boetebesluit en het intrekkingsbesluit beslist. Voor zover het besluit van 24 december 2021 betrekking heeft op het boetebesluit heeft de minister het bezwaar gedeeltelijk gegro Uit artikel 94 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling) volgt dat het stikstof- en fosfaatgehalte van de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheden dierlijke mest wordt bepaald aan de hand van de best beschikbare gegevens. Uit de toelichting op dit artikel (Stcrt. 2005, nr. 226, blz. 59) volgt dat de best beschikbare gegevens verkregen worden door de gehele voorraad te bemonsteren en te analyseren. Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan gerekend worden met de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten van de in het betrokken jaar bemonsterde afgevoerde mest. Als laatste, alleen als geen afvoer heeft plaatsgevonden, kan gebruik worden gemaakt van forfaitaire gehalten. Deze invulling van ‘best beschikbare gegevens’ is ook opgenomen in het door de minister gehanteerde Boetebeleid. 6.2 Omdat gegevens over de gehele voorraad niet beschikbaar waren, heeft de minister voor de bepaling van de eindvoorraad in 2018 gerekend met de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten van bemonsterde afgevoerde rundveedrijfmest in 2018. Die berekening is conform artikel 94 van de Uitvoeringsregeling. Wat de vennootschap in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt het College niet tot het oordeel dat de minister van die best beschikbare gegevens had moeten afwijken. Met de rechtbank is het College van oordeel dat als de vennootschap meende dat het stikstofgehalte van de op 28 maart 2018 afgevoerde rundveedrijfmest niet representatief was voor het stikstofgehalte in de eindvoorraad rundveedrijfmest 2018, het op de weg van de vennootschap had gelegen om in de loop van 2018 nogmaals het stikstofgehalte in de mest te laten bepalen. Daarbij merkt het College nog op dat de vennootschap in de gelegenheid was om op relatief gemakkelijke wijze de gehele mestvoorraad te bemonsteren, omdat bij de verhuizing van haar bedrijf in 2018 de gehele mestvoorraad is meeverhuisd. 6.3 De hogerberoepsgrond slaagt niet. Gevolgen overschrijding derogatienorm 7 De vennootschap heeft de overige bevindingen waarop de minister de gestelde overschrijding van de derogatienorm heeft gebaseerd, niet bestreden. Daarmee staat vast dat de vennootschap de derogatienorm heeft overschreden. Dat betekent dat voor het jaar 2018 de lagere, in artikel 9, eerste lid, van de Msw bepaalde, reguliere gebruiksnorm dierlijke meststoffen geldt. Dit volgt uit artikel 27c van de Uitvoeringsregeling. De minister heeft terecht vastgesteld dat de vennootschap de reguliere gebruiksnorm dierlijke meststoffen heeft overschreden. De minister was dus bevoegd een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 7 van de Msw. De door de minister ter zake van die overtreding vastgestelde boete van € 6.718,95 acht het College met de rechtbank passend en geboden. Ambtshalve beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn 8.1 Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:7)) beoordeelt het in boetezaken ambtshalve of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden. 8.2 In punitieve zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Dat is in dit geval 27 mei 2021, de datum waarop de minister het voornemen tot boeteoplegging heeft uitgebracht. Ten tijde van deze uitspraak is deze termijn met acht maanden overschreden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase. 8.3 De minister heeft op grond van zijn beleid de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen gemat 11.3 De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie in beide zaken 12.1 Uit het voorgaande volgt voor zaak 22/2176 dat het hoger beroep slaagt. Het College zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover het de hoogte van de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen betreft. Voor het overige zal het College de aangevallen uitspraak bevestigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep tegen het besluit van 24 december 2021 gegrond verklaren voor zover het betrekking heeft op het boetebesluit en dat besluit in zoverre vernietigen. Het College zal het boetebesluit herroepen, de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen vaststellen op € 6.383,- en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 24 december 2021. 12.2 Uit het voorgaande volgt voor zaak 23/1432 dat het beroep ongegrond is. 12.3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College: in de zaak 22/2176 - vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank, voor zover het de hoogte van de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen betreft; - bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; - verklaart het beroep tegen het besluit van 24 december 2021 gegrond voor zover dat besluit betrekking heeft op het boetebesluit en vernietigt het besluit van 24 december 2021 in zoverre; - herroept het boetebesluit en stelt het bedrag van de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen vast op € 6.383,-; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 24 december 2021; - draagt de minister op het in beroep betaalde griffierecht van € 365,- aan de vennootschap te vergoeden; - bepaalt dat de griffier van het College aan de vennootschap het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,- terugbetaalt. in de zaak 23/1432 - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. A. Venekamp en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026. w.g. H.L. van der Beek w.g. A.C. van Helvoort Bijlage Meststoffenwet Artikel 7 Het is verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen. Artikel 8 Het in artikel 7 gestelde verbod geldt niet indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende normen overschrijdt: a. de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen; […] Artikel 9 1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, is 170 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. 2. Bij ministeriële regeling kan een hogere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen worden vastgesteld, die van toepassing is in de gevallen en onder de voorwaarden en beperkingen, bepaald bij de regeling. […] Uitvoeringsregeling Meststoffenwet Artikel 24 1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de wet, is 250 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is. […] Artikel 251. Uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarin de landbouwer de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, voornemens is toe te passen, vraagt de landbouwer een vergunning aan bij de minister voor het op zijn bedrijf mogen toepassen van artikel 24, eerste en tweede lid. 2. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij voldoet aan de voorwaarden in de derogatiebeschikking en het bepaalde in deze paragraaf en verklaart hij ermee in te stemmen dat het meststoffengebruik, alsmede het bemestingsplan en de mestboekhouding onderwerp kunnen zijn van controle. 3. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij de gebruiksnorm