Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-04-21
ECLI:NL:CBB:2026:169
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/925 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [woonplaats] (vennootschap) (gemachtigde: mr. M.R. Plug) en de minister van Klimaat en Groene Groei (gemachtigden: M. Zwirs en M. Bos) Procesverloop Met het besluit van 22 april 2024 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de subsidieaanvraag van de vennootschap voor de energieproductie van categorie CO2-arme warmte op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (Besluit SDEK) en de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023 (Aanwijzingsregeling) afgewezen. Met het besluit van 16 september 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard. De vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 29 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] voor de vennootschap en de gemachtigden van partijen. Overwegingen Waar gaat deze zaak over 1.1 De vennootschap richt zich op de energievoorziening in het glastuinbouwgebied [plaats] te [woonplaats] . Op 19 september 2023 heeft de vennootschap SDE++-subsidie aangevraagd voor een 30MW elektrische stoomboiler (e-boiler), die deel uitmaakt van een stoomsysteem. Het stoomsysteem bestaat uit de stoomboiler, waarin stoom wordt geproduceerd, twee stoomcontainers waarin stoom wordt afgenomen voor ontsmetting van fust, steenwolmatten en twee stoom-warmtewisselaars, waarin stoom wordt afgenomen waarmee water wordt verwarmd voor verwarmingstoepassing. Door middel van de eerste stoom-warmtewisselaar wordt warmte geleverd ten behoeve van het verwarmen van een verwerkingshal. Met de tweede stoom-warmtewisselaar wordt warmte geleverd aan twaalf afnemers om kassen te verwarmen in een warmtenetwerk. 1.2 Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken dat het verwarmingsdeel van het project een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde heeft van ten minste 100°C, zodat het niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 71, tweede lid, van de Aanwijzingsregeling. Voor het overige deel van het project - het gebruik van stoom voor ontsmetting - is er sprake van een geringe stoomproductie, zodat de minister niet aannemelijk acht dat de realisatie van de productie-installatie economisch haalbaar is. 1.3 Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de vennootschap tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard. Wettelijk kader 2.1 In artikel 71, tweede lid, van de Aanwijzingsregeling is onder meer bepaald dat de productie-installatie wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C in het stookseizoen of in een stoomsysteem. Uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, onder 4°, van het Besluit SDEK volgt dat de minister afwijzend beslist op een subsidieaanvraag als hij het onaannemelijk acht dat de realisatie van de productie-installatie economisch haalbaar is. 2.2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Standpunten van partijen Standpunt van de vennootschap 3.1 De vennootschap voert in beroep aan dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. In de eerste plaats voert zij aan dat de beoogde toepassingen als geheel kwalificeren als een stoomsysteem en dat daarom wordt voldaan aan het vereiste, als bedoeld in artikel 71, tweede lid, van de Aanwijzingsregeling. De Aanwijzingsregeling geeft geen definitie van een stoomsysteem, zodat hieraan de gangbare betekenis moet worden gegeven. Bij het systeem waarvoor de vennootschap subsidie heeft aangevraagd wordt de stoom die afkomstig is van de e-boiler gebruikt als medium voor de warmteoverdracht. Dat de stoom (ook) wordt gebruikt voor de verwarming van water, maakt het systeem nog geen ver Het is dus voldoende dat op enig moment tijdens het stookseizoen sprake is van een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C. Met verwijzing naar paragraaf 5.4.2 van de toelichting in de Aanwijzingsregeling (Stcrt. 2023, 20350) stelt de vennootschap dat met de gebruikerszijde de eerste gebruiker van warmte wordt bedoeld. Volgens de vennootschap is geen sprake van meerdere eerste gebruikers, maar van één eerste gebruiker, namelijk de verwerkingshal. Alleen daar hoeft de aanvoertemperatuur ten minste 100°C te zijn. De uitgangspunten van de minister voor het vaststellen van het stookseizoen en een temperatuur van ten minste 100°C bij een buitentemperatuur van 11°C zijn bovendien onjuist en leiden tot een voor de vennootschap onevenredige uitkomst. De vennootschap betoogt dat moet worden aangesloten bij de uitgangspunten uit de nieuwe, opvolgende regelingen aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie van 16 juli 2024 (Stcrt. 2024, 21599; Aanwijzingsregeling 2024) en van 6 juli 2025 (Stcrt. 2025, 23407; Aanwijzingsregeling 2025), waarin de aanvoertemperatuur in het stookseizoen is gedefinieerd als ‘de volgens de stooklijn bij een buitentemperatuur van –10°C of lager vereiste ingaande vloeistoftemperatuur voor een warmtenet of de volgens de stooklijn bij een buitentemperatuur van –10°C of lager vereiste ingaande vloeistoftemperatuur aan de gebruikerszijde voor een verwarmingssysteem.’ Hieruit volgt dat de aanvoertemperatuur minimaal 100°C dient te zijn bij een buitentemperatuur van –10°C of lager. In de door haar overgelegde stooklijn van de verwerkingshal blijkt dat de aanvoertemperatuur 105°C is bij een buitentemperatuur van –10°C en dus aan de voorwaarde van artikel 71, tweede lid, van de Aanwijzingsregeling wordt voldaan. 4.5 Het College volgt het betoog van de vennootschap niet. Op de zitting heeft de minister terecht opgemerkt dat de aanwijzingsregelingen 2024 en 2025 andere en nieuwe regelingen betreffen, waarin andere keuzes zijn gemaakt op basis van andere technieken en waarbij de toepassing in tuinbouw expliciet is uitgesloten. Er is geen aanwijzing dat het door de vennootschap genoemde uitgangspunt in de aanwijzingsregelingen 2024 en 2025 een codificatie betreft van geldend beleid. Zoals de minister op de zitting heeft toegelicht, hanteerde hij bij de toepassing van het vereiste van de minimale aanvoertemperatuur uit de Aanwijzingsregeling van 2023 de uitgangspunten als omschreven in 4.3. Naar het oordeel van het College heeft de minister daarmee geen onredelijke uitgangspunten gehanteerd. Met inachtneming daarvan heeft de minister de vennootschap met zijn brieven van 1, 14 en 15 maart 2024 ook verzocht om nadere informatie over de aanvoertemperatuur. Uit de ontvangen informatie heeft de minister terecht afgeleid dat er geen sprake is van een aanvoertemperatuur van ten minste 100°C in het stookseizoen voor de verwerkingshal. Voor de stelling dat dit vereiste niet gedurende het gehele stookseizoen zou gelden, is in de regeling geen aanknopingspunt te vinden. Zelfs als de stelling dat de verwerkingshal de enige eerste gebruiker is, zou worden gevolgd, leidt dit dus niet tot een andere uitkomst. Dat de aanvoertemperatuur voor de glastuinbouwkassen lager is dan 100°C in het stookseizoen, heeft de vennootschap niet betwist. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat voor het verwarmingssysteem niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 71, tweede lid, van de Aanwijzingsregeling. Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, onder 4°, van het besluit SDEK 5.1 Uit overweging 4.5 volgt dat het verwarmingssysteem niet aan de eis van artikel 71, tweede lid, van de Aanwijzingsregeling voldoet en dat dus alleen de productie uit het stoomsysteem subsidiabel is. De vennootschap heeft toegelicht dat 6.000 MWh van de aangevraagde 108.000 MWh wordt gebruikt voor ontsmetting (afname van de stoomcontainers binnen het stoomsysteem). De minister heeft het terecht onaannemelijk geacht dat