Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-04-21
ECLI:NL:CBB:2026:165
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/986 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] (onderneming) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. drs. P.J. Kooiman en dr. W.A.M. Borst) Procesverloop Met het besluit van 12 juni 2024 heeft de minister het verzoek van de onderneming tot wijziging van de einddatum van het project ‘ [naam 1] – MesoPher’ afgewezen. Voor dit project is subsidie verleend op grond van titel 3.9 Innovatiekredieten van de Regeling nationale EZ-subsidies (nu: Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies). Met het besluit van 18 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard. De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 20 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister. Overwegingen Inleiding 1.1 De onderneming, een biotechnologiebedrijf, heeft op 1 januari 2017 een aanvraag ingediend voor innovatiekrediet voor het project ‘ [naam 1] – MesoPher’. Uit het projectplan blijkt dat er binnen het project wordt gewerkt aan een klinische studie naar de werkzaamheid en veiligheid van MesoPher celtherapie in mesothelioom. Met het besluit van 4 mei 2017 heeft de minister voor het project een innovatiekrediet aan de onderneming verleend van maximaal € 6.196.558,-. Daarin was bepaald dat de looptijd van het project was van 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2020. Alleen kosten die gemaakt worden in deze periode komen voor krediet in aanmerking. 1.2 De minister heeft de projectperiode op verzoek van de onderneming verlengd tot 30 juni 2020 en daarna tot 31 maart 2021. Op 1 februari 2021 heeft de onderneming opnieuw verzocht om verlenging van de projectperiode. Zij heeft daarbij een gewijzigd projectplan ingediend, waarin staat dat het laatste onderdeel van het project (‘period 4: study report ready’) gepland staat voor de periode van eind december 2022 tot en met maart 2023. Met het besluit van 2 april 2021 heeft de minister het gewijzigde projectplan goedgekeurd en de nieuwe einddatum van het project vastgesteld op 31 maart 2023. Nadat de onderneming in september 2022 melding had gemaakt van teleurstellende resultaten van het project, heeft zij op 30 november 2022 op verzoek van de minister een gewijzigde begroting ingediend. Deze gewijzigde begroting is op 19 december 2022 goedgekeurd. De einddatum van het project is daarin ongewijzigd gebleven. 1.3 Op 29 februari 2024 heeft de onderneming de vaststellingsrapportage voor het project ingediend, waarbij zij 30 november 2023 heeft vermeld als einddatum van het project. De minister heeft de vermelding van die datum in de rapportage opgevat als een verzoek tot verlenging van de projectperiode. Met het besluit van 12 juni 2024 heeft de minister dit verzoek afgewezen. 1.4 Met het bestreden besluit heeft de minister dit besluit gehandhaafd. De minister heeft toegelicht dat voor verlenging van de projectperiode vooraf om ontheffing moet worden verzocht. Aangezien de onderneming pas met de vaststellingsrapportage van 29 februari 2024 kenbaar heeft gemaakt de einddatum van het project te willen wijzigen, is dit verzoek niet voorafgaand aan de verlengingsperiode gedaan. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarde voor ontheffing op grond van artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (nu: Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies) (Kaderbesluit). Standpunten van partijen 2 Volgens de onderneming is de oplevering van het ‘study report’ vanaf de start van het project genoemd als het vanzelfsprekende en noodzakelijke einde van de klinische studie. Op 31 maart 2023 werden de resultaten van de klinische studie nog geanalyseerd en was het dus niet mogelijk het ‘study report’ op te leveren. Verder heeft de minister tijdens het project steeds