Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-04-21
ECLI:NL:CBB:2026:162
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/880 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen DC4U B.V., te Abcoude (onderneming) (gemachtigden: mr. C.N. van der Sluis en mr. M. Fruytier) en de minister van Economische Zaken (gemachtigde: mr. N. Adams) Procesverloop Met het besluit van 9 april 2024 heeft de minister de subsidie in de vorm van een innovatiekrediet die aan de onderneming op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, titel 3.9 Innovatiekredieten (Regeling) was verleend, vastgesteld op nihil en de onverschuldigd betaalde voorschotten van in totaal € 557.658,- en de opgebouwde rente van in totaal € 10.771,20 van haar teruggevorderd. Met het besluit van 6 september 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 20 februari 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Overwegingen 1. Titel 3.9 van de Regeling voorzag ten tijde van belang in subsidie voor de ontwikkeling van veelbelovende en uitdagende innovaties met een uitstekend marktperspectief. De subsidie werd verstrekt in de vorm van een krediet voor risicovolle klinische of technische ontwikkelingsprojecten, waarin nieuwe producten, processen of diensten werden ontwikkeld. 2 De onderneming is een biotechnologiebedrijf. Zij heeft op 8 juni 2022 een aanvraag gedaan voor een innovatiekrediet voor het project ‘GlycoDC™ Platform to develop Immunotherapy for Celiac Disease and Diabetes Mellitus Type I’. 3 Met het besluit van 23 december 2022 heeft de minister voor het project een krediet voor 45% van de daadwerkelijk gemaakte en betaalde projectkosten verleend tot een bedrag van maximaal € 1.450.755,-, onder de opschortende voorwaarde dat de onderneming binnen vier weken na dit besluit een ondertekende definitieve investeringsovereenkomst van € 2.500.000,- van het ‘Conchylium Investments Fund’ (Conchylium) indient. De looptijd van het project was van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2024 en ieder kwartaal zou de minister een voorschot op het krediet betalen. Aan de subsidieverlening is de verplichting verbonden dat de onderneming niet zonder toestemming van de minister wijzigingen kan doorvoeren in de financiering van het project. 4 Met het besluit van 9 april 2024 heeft de minister de subsidie vastgesteld op nihil en de onverschuldigd betaalde voorschotten van in totaal € 557.658,- en de opgebouwde rente van € 10.771,20 van de onderneming teruggevorderd. Met het bestreden besluit heeft de minister dit besluit gehandhaafd. Volgens de minister heeft de onderneming niet aan de aan de subsidie verbonden verplichting voldaan, omdat zij niet tijdig heeft gemeld dat de financiering van Conchylium uiteindelijk niet is verstrekt, terwijl die financiering essentieel is voor het slagen van het project. Ook heeft de onderneming het innovatiekrediet gebruikt voor aflossingen van de Corona Overbruggingslening. 5 De onderneming is het niet eens met de vaststelling van de subsidie op nihil en de terugvordering van de voorschotten, vermeerderd met rente. Volgens de onderneming is geen sprake van een wijziging in de financiering van het project die zij had moeten melden. Ook heeft de minister er geen rekening mee gehouden dat zij wel kosten heeft gemaakt voor een deel van de activiteiten en dat niet uitgesloten kan worden dat zij, ondanks de problemen rondom de financiering, (een deel van) het project kan uitvoeren. 6 Het College stelt vast dat de minister in dit geval de subsidie ambtshalve heeft vastgesteld. 7 Op grond van artikel 4:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien: a. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld