Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2026-03-12
ECLI:NL:CBB:2026:131
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,053 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CBB:2026:131 text/xml public 2026-03-30T11:39:02 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-03-12 24/728 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Den Haag Bestuursrecht Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:131 text/html public 2026-03-27T08:40:00 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CBB:2026:131 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 12-03-2026 / 24/728 Beroep niet-ontvankelijk. Beroepschrift niet tijdig ingediend. Leesbaar poststempel. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift wel tijdig ter post bezorgd is. proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/728 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen V.O.F. [naam 1] , te [vestigingsplaats] (vennootschap) (gemachtigde: H.C. van den Brink) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. C.J.M. Daniëls) Procesverloop Bij besluit van 8 juli 2024 heeft de minister het bezwaar van de vennootschap tegen de afwijzing van de aanvraag van de vennootschap om subsidie uit de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft de vennootschap beroep ingesteld. De zitting was op 12 maart 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen en verder, namens de vennootschap, [naam 2] en namens de minister C. Zieleman. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beslissing Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen 1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb volgt dat een beroepschrift tijdig is ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 2 Het College stelt vast dat de beroepstermijn op 19 augustus 2024 eindigde. Het beroepschrift is gedateerd op 19 augustus 2024. Op de envelop waarin het beroepschrift is verzonden, staat een poststempel van PostNL met de datum 21 augustus 2024. Het beroepschrift is op 22 augustus 2024, dus na het einde van de beroepstermijn, door het College ontvangen. 3 De vennootschap stelt dat het beroepschrift tijdig op 19 augustus 2024 aan het eind van de middag – rond half vijf – in de brievenbus is gedaan. Daarbij is niet gekeken of de brievenbus op dat moment al was geleegd. Als dat wel het geval was, dan zal het beroepschrift een dag langer onderweg zijn geweest, stelt de vennootschap. 4 Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 26 februari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:320) en van 19 december 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:721)) dat als een envelop een leesbaar poststempel bevat, bewijsrechtelijk uitgangspunt is dat de terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag dat de envelop door PostNL is afgestempeld. Daarmee is nog niet uitgesloten dat de vennootschap het beroepschrift tijdig per post heeft bezorgd. Het is aan de vennootschap om dit aannemelijk te maken. Met wat de vennootschap heeft aangevoerd, is zij daarin niet geslaagd. Ook als het beroepschrift een dag langer onderweg is geweest, lag er nog een werkdag tussen de gestelde datum van terpostbezorging en de ontvangstdatum. De termijnoverschrijding moet aan de vennootschap worden toegerekend. 5 Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, mr. A. Venekamp en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026. w.g. M.P. Glerum w.g. J.R. Willemstein