Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-03-17
ECLI:NL:CBB:2026:117
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/2046 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 op het hoger beroep van: [naam 1] B.V., te [plaats 2] ( [naam 1] )(gemachtigde: mr. A.C.M. Brom) tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2022, kenmerk 21/1190, in het geding tussen [naam 1] en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal) en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) Procesverloop in hoger beroep [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 31 augustus 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:7245) (aangevallen uitspraak). De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [naam 1] heeft een nader stuk ingediend. De zitting was op 7 november 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. [naam 1] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt. Grondslag van het geschil 1 [naam 1] is een transportbedrijf dat dierlijke bijproducten vervoert. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak beslist op het beroep van [naam 1] tegen de besluiten van de minister op de verzoeken van [naam 1] tot herziening van drie boetebesluiten met de nummers 201404439 , 201505745 en 201703355 . In boetezaak 201404439 1.1 Op 5 juli 2014 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij [naam 1] een controle uitgevoerd en daarvan op 15 september 2014 een rapport opgemaakt (rapport van bevindingen van 15 september 2014). In dit rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “[…] CONTROLE Op zaterdag 5 juli 2014, omstreeks 7:40 uur, bevonden wij, [naam 2] en [naam 3] , ons op de oprit [plaats 10] van de [nummer rijksweg] . Wij zagen een voertuig, die gelet op de uiterlijke kenmerken kennelijk tot het transport bedrijf [naam 1] behoorde, richting België rijden. Het voertuig was kennelijk ingericht voor het vervoer van vloeibare stoffen, waaronder drijfmest. Wij besloten het voertuig, dat ogenschijnlijk geladen was, te controleren. Wij zagen dat de oplegger het kenteken [kenteken 1] voerde. Ik, [naam 2] , raadpleegde in het digitale dossier of dit kenteken geregistreerd was voor vervoer van dierlijke mest. Ik zag dat het geregistreerd was bij de intermediaire onderneming [naam 1] B.V. Ik raadpleegde het overzicht van AGR-GPS meldingen voor deze onderneming en zag dat er voor het kenteken een laadmelding, maar nog geen losmelding vermeld was. Deze laadmelding was gedaan voor VDM genummerd [nummer 4] . Gelet op dit nummer betrof het een binnenlands transport. Wij probeerden het voertuig bij de laatste parkeerplaats voor de grens stil te houden, maar slaagden hier niet in. Wij besloten daarop het voertuig te volgen. Op voornoemde datum omstreeks 9:15 passeerden wij de Belgisch Nederlandse grens en reden Zeeuws-Vlaanderen binnen. Kennelijk had de vracht een Nederlandse bestemming en was er sprake van doorvoer door België. Het was mij, [naam 2] , bekend dat voornoemde onderneming in het verleden een schriftelijke waarschuwing had gekregen voor het niet opmaken van een handelsdocument bij doorvoer van dierlijke mest door België. […] Op 5 juli 2014, omstreeks 9:40 uur bevonden wij, [naam 2] en [naam 3] ons op de rondweg [plaats 1] te Zeeuws-Vlaanderen. Wij zagen dat het voertuig bij een silo stopte en daar ging lossen. Naar later bleek was de silo gelegen op de [adres 1] te [plaats 1] . Wij begaven ons naar het voertuig en spraken de chauffeur, die zich voorstelde als [naam 4] , aan. Wij legitimeerden ons aan haar als toezichthouders van de NVWA en deelden het doel van de controle mede. Desgevraagd overlegde [naam 4] de bij het transport behorende VDM genummerd [nummer 4] . 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (Verordening 142/2011) en artikel 21, tweede lid, van Verordening ( EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten (Verordening 1069/2009). 1.3 Met het besluit van 5 oktober 2016 heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen boetebesluit 201404439 ongegrond verklaard en dit boetebesluit gehandhaafd. In boetezaak 201505745 1.4 Op 15 augustus 2015 hebben twee toezichthouders van de NVWA bij [naam 1] een controle uitgevoerd en daarvan op 25 november 2015 een rapport opgemaakt (rapport van bevindingen van 25 november 2015). In dit rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “Aanleiding: Dit rapport van bevindingen is opgesteld naar aanleiding van een inspectie ( [nummer 5] ) in het kader van Vervoer van dierlijke bijproducten. […] Bevinding(en): Op 15 augustus 2015 omstreeks 09.15 uur, bevonden wij ons met ons opvallende dienstvoertuig op de [nummer rijksweg] , ter hoogte van afslag [naam bedrijventerrein] , binnen de gemeente [plaats 5] . Aldaar zagen wij, toezichthouders een oplegger combinatie, tankwagen, voertuig, rijden, met het kenteken [kenteken 2] . Wij toezichthouders besloten genoemd voertuig in controle te nemen. […] Op de vraag aan de bestuurder wat hij vervoerde overhandigde deze mij, toezichthouder [naam 6] , een aantal bescheiden waaronder een, naar ik zag een Handelsdocument Voor het vervoer van niet voor menselijk consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten binnen de Europese Unie overeenkomstig Verordening 1069/2009. Wij, toezichthouders, zagen op het bovengenoemde Handelsdocument onder meer vermeld staan: Vak 1.1. Vak 1.17 Verzender: Vervoerder [naam 7] B.V. [naam 1] [adres 3] [straat] [huisnummer 2] [postcode 2] [plaats 6] [postcode 1] [plaats 2] Vak 1.31 Aard van de goederen Categorie verwerkt C1/C2 materiaal C1 Wij, toezichthouders, zagen dat de laad/losunit van de genoemde tankwagen lekte. Wij, toezichthouders, zagen aan het genoemde voertuig geen etiket, in de kleur zwart, die de categorie dierlijke bijproducten aangaf en met de volgende afgedrukte woorden "Uitsluitend geschikt voor verwijdering" Van de getoonde bescheiden en de lekkende laad- losunit heb ik, toezichthouder [naam 8] , foto-opnamen gemaakt. […] Naar aanleiding van het bovenstaande spraken wij, toezichthouders, op bovengenoemde datum en plaats, omstreeks 09.30 uur, met bovengenoemde [naam 9] , bestuurder van het bovenvermelde vervoermiddel. […] Nadat ik, toezichthouder [naam 6] , [naam 9] had medegedeeld als zodanig te zullen horen, verklaarde hij ons, toezichthouders, op onze vragen als volgt: "Ik ben als chauffeur in loondienst bij [naam 1] B.V., [straat] [huisnummer 1] te [postcode 1] [plaats 2] . Op dit moment vervoer ik afvalwater van [naam 7] naar [naam 10] in België. Een aanduiding cat-1 zit niet op de tankwagen. Ik weet dat een dergelijke aanduiding erop moet. U hebt mij er op gewezen dat de laadlosunit lekt. Het is categorie 1-meteriaal wat ik heb geladen bij [naam 7] . Ik heb al meerdere keren gezegd tegen [naam 1] zelf, in het begin toen ik bij [naam 1] ging werken dat de laad/losunit lekte. Hij heeft mij toen gezegd dat dat wordt gerepareerd maar dat is noeg niet gebeurd. De unit lekt ook alleen maar, zoals in dit geval, als ik water vervoer. Als ik minder vloeibare stoffen vervoer, lekt die niet. […] Ik weet dat ik niet met lekkend materiaal mag rijden." Na voorlezing door mij, toezichthouder [naam 6] , van de in concept opgenomen verklaring […] Op genoemde datum, omstreeks 10.15 uur, werd op genoemd terrein van Rijkswaterstaat, door een motoragent, een vrachtauto met daarop een container en daaraan gekoppeld een aanhanger met daarop ook een container, kennelijk geschikt voor het vervoer van onder andere meststoffen , hierna te noemen: vervoermiddel, stopgezet. Wij, toezichthouders [naam 11] en [naam 12] zagen dat het vervoermiddel was voorzien van de kentekens [kenteken 4] / [kenteken 5] Later heb ik, toezichthouder [naam 11] , de meldkamer van de NVWA verzocht de tenaamstellingen van de genoemde kentekens op te vragen. In de ontvangen uitdraai met de aansprakelijkheidsgegevens zag ik, toezichthouder [naam 11] , dat de kentekens op naam stonden van: [naam 18] BV, [straat] [huisnummer 1] [postcode 1] [plaats 2] gemeente [plaats 3] […] Wij, toezichthouders [naam 11] en [naam 12] , hebben de chauffeur van het vervoermiddel aangesproken en ons bekend gemaakt als toezichthouders van de NVWA en gelegitimeerd middels het tonen van de aan ons van dienstwege verstrekte legitimatiebewijzen, De chauffeur van het vervoermiddel maakte zich bekend als [naam 14] Ik, toezichthouder [naam 11] , heb [naam 14] het doel van aanspreken, zijnde een controle op het vervoeren van producten van dierlijke oorsprong, medegedeeld. Ik, toezichthouder [naam 11] heb chauffeur [naam 14] gevraagd naar de begeleidende documenten. Chauffeur [naam 14] voldeed aan mijn, toezichthouder [naam 11] verzoek, en overhandigde mij een V ervoersdocument D ierlijke M eststofffen, hierna te noemen VDM. Wij, toezichthouders [naam 11] en [naam 12] , zagen, zag op dit document onder meer vermeld staan • Nummer V ervoersdocument D ierlijke M eststofffen, [nummer 6] • Leverancier-relatienummer [nummer 7] naam [naam 15] postcode [postcode 3] huisnummer [huisnummer 3] en mestcode 32 • Relatienummer [nummer 8] , Vervoerder [naam 1] postcode [postcode 1] huisnummer [huisnummer 1] . Uit ervaring weet ik, toezichthouder [naam 11] dat met mest-code 32, kippenmest afkomstig van de mestband bedoeld wordt. […] Op mijn, toezichthouder [naam 12] , vraag aan de bestuurder wat hij vervoerde, antwoordde hij "" Ik heb kippenmest geladen en ben onderweg naar [plaats 8] ". Aansluitend hebben wij, toezichthouders [naam 12] en [naam 11] een fysieke controle uitgevoerd. Tijdens de controle hebben wij, toezichthouders vastgesteld dat de kippenmest, geladen in de container op de voorwagen, kenteken [kenteken 4] niet was afgedekt. Tevens hebben wij toezichthouders [naam 12] en [naam 11] vastgesteld dat het gehele vervoermiddel niet voorzien was van een aanduiding cat. 2 en opschrift mest. Hierna heeft bestuurder [naam 14] alsnog de container op de voorwagen afgedekt. […] Op dinsdag 28 maart 2017 omstreeks 10.45 uur en later bevonden wij, toezichthouders [naam 12] en [naam 11] ons, in een ruimte van [naam 13] gelegen aan de [adres 4] , [plaats 7] . Op genoemde plaats en tijd spraken wij, toezichthouders [naam 12] en [naam 11] met de heer [naam 14] . Nadat wij, toezichthouders [naam 12] en [naam 11] , de heer [naam 14] in kennis gesteld hadden van onze bevindingen en hem medegedeeld hadden dat hij niet verplicht was te antwoorden, gaf de heer [naam 14] op te zijn: […] van beroep chauffeur […], hierna te noemen getuige [naam 14] , Op de door ons toezichthouders [naam 12] en [naam 11] ter zake gestelde vragen antwoordde getuige [naam 14] het navolgende: "Ik ben in dienst bij [naam 1] B.V. [straat] [huisnummer 1] [postcode 1] [plaats 2] te gemeente [plaats 3] . Ik heb opdracht gekregen van [naam 5] om kippenmest te laden in [plaats 9] en deze te lossen in [plaats 8] . ( [naam 16] ). De achterwagen is wel afgedekt, de voorwagen heb ik niet afgedekt. De mest was vochtig en in het verleden ben ik er wel eens afgevallen. Ik ben voorzichtig en heb geen ladder. Ik weet dat de mest afgedekt moet worden. Er is geen identificatie Cat. 2 op de containers aangebracht. Ik wist niet dat dit verplicht was. Voor meer info kunt u contact opnemen met mijn opdr Uitspraak van de rechtbank 2 De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen (waarbij voor verweerder: de minister en voor eiseres: [naam 1] moet worden gelezen): “ Hoorplicht […] 7.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiseres ten onrechte niet op haar bezwaar heeft gehoord. Dit is ook door verweerder erkend. Verweerder heeft daarmee artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden. Dit leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit, omdat er aanleiding bestaat om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. In artikel 6:22 is namelijk bepaald dat een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een rechtsregel in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier het geval. Eiseres heeft namelijk in beroep alsnog alle gelegenheid gehad om haar standpunten schriftelijk en mondeling nader toe te lichten en te onderbouwen. Daar hoefde zij niet expliciet door de rechtbank toe te worden uitgenodigd, zoals eiseres lijkt te stellen. Bovendien wordt eiseres bijgestaan door een professioneel rechtsbijstandverlener die verondersteld wordt te weten dat die gelegenheid tot tien dagen voor de zitting altijd aanwezig is. Maar daarnaast heeft eiseres in beroep ook daadwerkelijk van de gelegenheid gebruik gemaakt om haar standpunten nader toe te lichten. Op de zitting zijn de bezwaargronden van eiseres uitgebreid besproken en door eiseres toegelicht. Alles wat is besproken is ook door de rechtbank meegewogen in de beoordeling van het bestreden besluit, zoals uit het navolgende blijkt. Boetezaak 201404439 (geen handelsdocument bij vervoer mest) […] 9.1. In artikel 21, tweede lid, van Verordening 1069/2009 staat het volgende: “Exploitanten zorgen ervoor dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten tijdens het vervoer vergezeld gaan van een handelsdocument of, indien deze verordening of een overeenkomstig lid 6 vastgestelde maatregel dat voorschrijft, een gezondheidscertificaat. In afwijking van de eerste alinea mag de bevoegde autoriteit toestaan dat mest zonder handelsdocument of gezondheidscertificaat wordt vervoerd tussen twee plaatsen op hetzelfde agrarische bedrijf of tussen agrarische bedrijven en gebruikers van mest die zich in dezelfde lidstaat bevinden.” 9.2. Uitgangspunt is dus dat het vervoer van dierlijke bijproducten vergezeld gaat van een handelsdocument. Eiseres erkent dat bij het vervoer van mest in deze zaak geen handelsdocument aanwezig was. Uitzondering op het uitgangspunt van het aanwezig hebben van een handelsdocument is zoals blijkt uit artikel 21, tweede lid, van Verordening 1069/2009 alleen mogelijk als de bevoegde autoriteiten die uitzondering toestaan en als (voor zover hier relevant) het gaat om vervoer tussen twee plaatsen in dezelfde lidstaat. Ten onrechte stelt eiseres een beroep te kunnen doen op deze uitzondering. Weliswaar was hier sprake van vervoer tussen twee plaatsen die allebei in Nederland liggen, maar het vervoer heeft ook deels plaatsgevonden over Belgisch grondgebied. Hoewel het tweede lid van artikel 21 dit niet exact beschrijft, is inherent aan de bepaling dat een uitzondering alleen mogelijk is als het vervoer binnen een lidstaat blijft. In Verordening 1069/2009 is exploitanten in alle lidstaten verplicht om bij het vervoer van dierlijke bijproducten een handelsdocument aanwezig te hebben. In Verordening 142/2011 is bepaald hoe dit handelsdocument eruit ziet en welke informatie het moet bevatten. In alle lidstaten wordt dus ditzelfde handelsdocument gebruikt; daardoor zijn de dierlijke bijproducten binnen de Europese Unie goed traceerbaar en kunnen autoriteiten in andere lidstaten direct alle informatie over de vervoerde dierlijke bijproducten inzien, ook al hanteren zij een ander registratiesysteem dan andere lidstaten. Het zou met deze bedoeling in De eisen van punt 2 (in dit geval: aanduiding categorie 1-materiaal en “uitsluitend geschikt voor verwijdering”) gelden dus ook bij vervoer binnen Nederland. In punt 1, onder c, van Hoofdstuk II, Bijlage VIII, van Verordening 142/2011 staat wel dat het gaat om dierlijke bijproducten die van een lidstaat naar een andere lidstaat worden verzonden, maar eiseres betwist niet dat sprake was van vervoer van Nederland naar België. Verder volgt uit de tekst van dit voorschrift duidelijk dat de markering of het etiket met de kleur zwart voor de gehele duur van het vervoer aanwezig moet zijn. Dit is dus al tijdens het vervoer in Nederland. 11.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres terecht als overtreder aangemerkt. Eiseres erkent dat het haar vervoermiddelen waren en op het handelsdocument staat dat eiseres de vervoerder is. Uit artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 142/2011 volgt dat exploitanten bij vervoer van dierlijke bijproducten moeten voldoen aan bepaalde voorschriften in bijlage VIII. Verordening 142/2011 is een uitvoering van Verordening 1069/2009 en daarin is exploitant (in artikel 3, onder 11) gedefinieerd als: “de natuurlijke of rechtspersonen die de feitelijke controle hebben over een dierlijk bijproduct of een afgeleid product, waaronder vervoerders, handelaren en gebruikers”. Eiseres vervoerde het dierlijke bijproduct en had dus de feitelijke controle daarover. Zij is dus de exploitant waartoe artikel 17 van Verordening 142/2011 zich richt. 11.4. Bovendien kan de overtreding eiseres worden verweten. Vaststaat dat de normale bedrijfsvoering van eiseres onder meer bestaat uit het vervoer van dierlijke bijproducten en dat de gedraging in die sfeer heeft plaatsgevonden. Zoals volgt uit onder meer de uitspraken ECLI:NL:CBB:2014:222 en ECLI:NL:CBB:2021:794 kan de overtreding in dat geval in beginsel aan eiseres worden toegerekend. Eiseres dient als transporteur erop toe te zien dat bij het transport van dierlijke bijproducten, uitgevoerd door haar medewerkers, aan alle voorwaarden wordt voldaan. Zij stelt haar chauffeurs voldoende te instrueren en ook de benodigde stickers en etiketten te verschaffen, maar die algemene stelling over haar bedrijfsvoering maakt niet dat haar geen verwijt van de betreffende overtreding kan worden gemaakt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij alles heeft gedaan wat in haar macht lag om ervoor te zorgen dat bij dit transport aan de eisen werd voldaan. 11.5. Daarnaast heeft verweerder in deze boetezaak terecht geen reden gezien voor halvering van de boete op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving. In dit geval was op het voertuig geen enkele aanduiding aangebracht over het categorie 1-materiaal dat werd vervoerd. Zoals verweerder heeft toegelicht moet altijd direct duidelijk zijn wat voor materiaal er in een voertuig zit, vanwege het risico op een uitbraak van een besmettelijke ziekte. Daarnaast is een aanduiding belangrijk zodat, als er wat gebeurt bij het transport, er direct op de goede manier kan worden ingegrepen. Weliswaar is er in dit geval niets misgegaan maar dat neemt niet weg dat het ontbreken van de aanduidingen op het voertuig een risico betekende voor de volksgezondheid, diergezondheid en het milieu. Dit risico wordt niet teniet gedaan door de omstandigheid dat in het voertuig wel vervoersdocumenten en een zwarte sticker aanwezig waren. Juist met een aanduiding op het voertuig is direct duidelijk wat er wordt vervoerd en kan er direct juist worden gehandeld bij calamiteiten. Op dit voertuig ontbrak iedere aanduiding dat categorie 1-materiaal werd vervoerd en daardoor bestond het risico dat vanwege onwetendheid rondom dit transport verkeerd zou worden gehandeld, zodanig dat het een gevaar voor de volksgezondheid, diergezondheid of het milieu betekende. Boetezaak 201703355 (kippenmest niet afgedekt en geen aanduiding op vervoermiddel) […] 13.1. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat op het v Dat het ging om internationaal versus binnenlands transport maakt ook geen verschil, het gaat immers in beide gevallen om overtreding van dezelfde voorschriften in Verordening 142/2011 .” Beoordeling van het geschil in hoger beroep Wettelijk kader 3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Oordeel van het College Hoorplicht 4.1 Volgens [naam 1] heeft de minister bewust de hoorplicht geschonden, terwijl [naam 1] heeft gevraagd om te worden gehoord. De rechtbank heeft volgens haar ten onrechte artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast. De rechtbank had het bestreden besluit moeten vernietigen en moeten terugverwijzen naar de minister, zodat [naam 1] alsnog in bezwaar kan worden gehoord. Dat zij in beroep de gelegenheid heeft gehad om haar standpunten toe te lichten en te onderbouwen, wil volgens [naam 1] niet zeggen dat zij door de schending van de hoorplicht niet is benadeeld. Ook is er volgens [naam 1] sprake van strijd met het verdedigingsbeginsel en het recht op een eerlijk proces, doordat zij onvoorbereid ter zitting bij de rechtbank haar beroep inhoudelijk nader moest onderbouwen . 4.2 In artikel 6:22 van de Awb staat dat een besluit, ook als sprake is van een gebrek, in stand kan worden gelaten als aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Daarvan is in dit geval sprake omdat, gelet op de hierna opgenomen beoordeling van de hogerberoepsgronden, aannemelijk is dat als dit gebrek zich niet had voorgedaan, een besluit met een gelijke uitkomst zou zijn genomen. Het College betrekt daarbij dat [naam 1] de gelegenheid heeft gehad, en ook van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt, om haar standpunten in beroep en in hoger beroep zowel schriftelijk als mondeling naar voren te brengen. De rechtbank heeft het gebrek dan ook terecht met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd. Toetsingskader 5.1 Bij de beoordeling van een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Als het bestuursorgaan het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over dat verzoek (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131), onder 3.4, en de uitspraak van het College van 24 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:190), onder 2.2 en 2.3). 5.2 In deze zaak betreft het verzoeken om terug te komen van boetebesluiten, waarbij de minister de herzieningsverzoeken (deels) op inhoudelijke gronden heeft afgewezen. Uit de besluitvorming en het verhandelde ter zitting blijkt dat de minister is overgegaan tot een integrale heroverweging. De rechtbank heeft daarom terecht het bestreden besluit beoordeeld aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over de verzoeken. Het College zal daarom hieronder per boetezaak de verschillende hogerberoepsgronden van [naam 1] bespreken. 5.3 Het College stelt verder voorop dat uit vaste jurisprudentie van het College, onder meer de uitspraak van 30 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:535), volgt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgesteld, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk g [naam 1] is van mening dat het niet hebben van een handelsdocument tot geen enkel risico voor volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu leidt en heeft een aan een ander bedrijf gerichte boetebeschikking van 21 mei 2021 overgelegd, waarin de minister de boete wegens het ontbreken van een sticker met de vermelding categorie 2-materiaal heeft gehalveerd op grond van artikel 2.3 van het Besluit handhaving. Volgens [naam 1] is het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat de minister bij de aan haar opgelegde boete – anders dan bij het andere bedrijf in de beschikking van 21 mei 2021 – geen halvering heeft toegepast. Daarnaast heeft [naam 1] aangevoerd dat zij beschikte over een VDM en dat (al door het type voertuig waarmee werd gereden) duidelijk was dat drijfmest werd getransporteerd. Verder was volgens [naam 1] de mest afkomstig van agrarische bedrijven waar geen ernstige overdraagbare ziekte was vastgesteld. 6.7 Het College oordeelt in dit verband als volgt. 6.8 Artikel 6 van het EVRM brengt mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 30 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:534), vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de ingevolge de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren (Regeling handhaving) voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit handhaving en artikel 1.2 van de Regeling handhaving en de bijlage daarbij bedraagt de boete bij overtredingen als die hiervoor zijn vastgesteld, € 2.500,-. 6.9 De door [naam 1] naar voren gebrachte omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat de opgelegde boete onevenredig is. Het College ziet evenmin als de rechtbank grond voor het oordeel dat de in artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving bedoelde risico’s of gevolgen van de overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu in dit geval gering zijn of ontbreken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een handelsdocument ertoe strekt dat buitenlandse autoriteiten, bijvoorbeeld bij een calamiteit, direct over alle relevante informatie over de vervoerde mest kunnen beschikken om maatregelen te kunnen treffen om volks- en diergezondheid en milieu te kunnen beschermen. Anders dan [naam 1] heeft aangevoerd, bevatte het VDM-formulier niet alle relevante informatie, zoals de mestcode. Hieraan doen niet af de door [naam 1] gestelde omstandigheden dat al door het type voertuig duidelijk was dat drijfmest werd getransporteerd en dat op de bedrijven waarvan de mest afkomstig was geen ernstige overdraagbare ziekte was vastgesteld. 6.10 Voor wat betreft de vergelijking met de door [naam 1] aangehaalde boetebeschikking van 21 mei 2021 is het College van oordeel dat er geen sprake is van gelijke gevallen. In deze zaak ontbrak een handelsdocument terwijl het in de boetebeschikking van 21 mei 2021 ging om een ontbrekende categorie 2-sticker. Daarmee zijn in deze zaak andere artikelen overtreden (artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, en punt 6 in Hoofdstuk III van Bijlage VIII bij Verordening 142/2011 en artikel 21, tweede lid, van Verordening 1069/2009) dan in de zaak die leidde tot de boetebeschikking van 21 mei 2021 ( artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, en punt 2, aanhef en onder a, in Hoofdstuk II van Bijlage VIII bij Verordening 142/2011). Boetezaak 201505745 (geen aanduiding bij vervoer afvalwa Verwijtbaarheid 7.6 [naam 1] is van mening dat haar niet kan worden verweten dat de chauffeur de vereiste sticker niet heeft aangebracht. Zij meent dat zij alles gedaan heeft wat in haar macht lag om ervoor te zorgen dat bij het transport aan de vereisten werd voldaan. Volgens haar had de chauffeur veel ervaring, waren de benodigde documenten aanwezig, was de sticker in het voertuig aanwezig, is de chauffeur correct geïnstrueerd en is er door [naam 1] toezicht op gehouden dat dit transport naar behoren werd verricht. 7.7 In artikel 5:41 van de Awb is bepaald dat de bevoegdheid om een boete op te leggen niet mag worden uitgeoefend als de overtreder geen verwijt treft. Het bestuursorgaan hoeft de verwijtbaarheid niet te bewijzen, maar mag deze veronderstellen als het daderschap vaststaat, mits tegenbewijs mogelijk is. Het is aan de beboete (rechts-)persoon feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig aannemelijk te maken, waaraan het rechtsgevolg kan worden verbonden dat verwijtbaarheid (afwezigheid van alle schuld) ontbreekt. Het is in dit geval dan ook aan [naam 1] om aannemelijk te maken dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de vastgestelde overtreding te voorkomen. 7.8 In dit verband verwijst het College naar de overwegingen 11.3 en 11.4 van de aangevallen uitspraak. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, was [naam 1] vervoerder van het product en had zij daarover de feitelijke controle. [naam 1] was daarmee een exploitant als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van Verordening 142/2011. Ook heeft de gedraging plaatsgevonden in de sfeer van de normale bedrijfsvoering van [naam 1] en dient [naam 1] als transporteur erop toe te zien dat bij het transport van dierlijke bijproducten, uitgevoerd door haar medewerkers, aan alle voorwaarden wordt voldaan. De sticker diende te worden aangebracht, hetgeen de chauffeur niet heeft gedaan. Het College is met de rechtbank van oordeel dat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar geen verwijt treft van de overtreding. Met hetgeen zij naar voren heeft gebracht, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om te zorgen dat bij dit transport aan de eisen werd voldaan. 7.9 Gelet op het voorgaande oordeelt het College dat de minister bevoegd om [naam 1] een boete op te leggen. Hoogte van de boete 7.10 Ook deze boete dient volgens [naam 1] te worden gehalveerd op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en te worden gematigd op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Het niet plakken van de sticker leidt volgens [naam 1] niet tot risico voor volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu. Daarnaast heeft [naam 1] aangevoerd dat (al door het type voertuig) direct voor eenieder duidelijk was dat afvalwater werd getransporteerd en dat bij een ongeluk ook aan de chauffeur kan worden gevraagd wat wordt getransporteerd. Overigens was volgens [naam 1] de mest ook afkomstig van agrarische bedrijven waar geen ernstige overdraagbare ziekte was vastgesteld. 7.11 Het College verwijst hier naar hetgeen het hiervoor onder 6.8 en 6.9 heeft overwogen. Zaak 201703355 (kippenmest niet afgedekt en geen sticker met aanduiding) 8.1 In deze zaak heeft de minister aan [naam 1] een boete opgelegd, omdat [naam 1] de onder 1.7 genoemde bepalingen heeft overtreden. Het College stelt voorop dat [naam 1] in deze zaak de juistheid van de waarnemingen van de toezichthouders in het rapport van bevindingen van 8 mei 2017 en de vastgestelde overtredingen in hoger beroep niet heeft betwist. Gelet hierop neemt het College deze overtredingen als vaststaand aan. Verwijtbaarheid 8.2 [naam 1] betoogt dat haar niet kan worden verweten dat de chauffeur de desbetreffende sticker niet heeft aangebracht en de mest niet was afgedekt. Het College verwijst naar hetgeen het hiervoor onder 7.8 heeft overwogen. 8.3 Gelet op het voorgaande oordeelt het College dat de minister bevoegd om [naam 1] een boete op te 8.10 Het College is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat hier eenzelfde voorschrift opnieuw is overtreden, omdat zowel in boetezaak 201505745 als in boetezaak 201703355 (onder andere) artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, en punt 1 en 2, van Hoofdstuk II, Bijlage VIII, bij Verordening 142/2011, gelezen in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling dierlijke producten is overtreden. Voor zover het in boetezaak 201703355, zoals appellante betoogt, al niet zou gaan om een overtreding die identiek is aan de overtreding waarvoor [naam 1] in boetezaak 201505745 is beboet, komt zij in elk geval in zodanige mate met die eerdere overtreding overeen dat kan worden gesproken van eenzelfde overtreding (vgl. de uitspraak van het College van 27 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:794 onder 10.4). In beide gevallen heeft [naam 1] namelijk geen categorie-aanduiding aangebracht op haar voertuig en gaat het om overtreding van dezelfde artikelen. Dat [naam 1] in boetezaak 201703355 naast het niet aanbrengen van een aanduiding op de wagen ook de mest niet had afgedekt maakt een en ander niet anders. Of het een binnenlands of internationaal transport betreft, maakt geen verschil. Slotsom 9 Het hoger beroep is ongegrond. Het College zal de aangevallen uitspraak bevestigen. Overschrijding van de redelijke termijn 10 [naam 1] heeft verzocht een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties is in beginsel overschreden als die procedure in haar geheel langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Deze termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door de minister (25 mei 2020) en eindigt op de dag van deze uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn in dit geval met afgerond één jaar en tien maanden is overschreden. Van factoren die aanleiding kunnen geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zou [naam 1] recht hebben op een schadevergoeding van € 2.000,-. De rechtbank heeft [naam 1] al een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500,- toegekend. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de rechter is toe te rekenen, zal het College de Staat veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan [naam 1] tot een bedrag van € 1.500,-. Proceskosten 11 Tot slot zal het College de Staat veroordelen in de door [naam 1] gemaakte proceskosten voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 467,- (één punt voor het indienen van het verzoek bij het College, met een wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 934,-). Beslissing Het College: bevestigt de aangevallen uitspraak; veroordeelt de Staat tot betaling aan [naam 1] van een schadevergoeding van € 1.500,-; veroordeelt de Staat in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. M.J. Jacobs en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026. w.g. H.L. van der Beek w.g. F.J.J. van West de Veer Bijlage Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) Artikel 3 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: […] 11. “ exploitant”: de natuurlijke of rechtspersonen die de feitelijke controle hebben over een dierlijke bi