Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-03-17
ECLI:NL:CBB:2026:103
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 24/109, 24/189, 24/392, 24/562, 24/594 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaken tussen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (landbouwer) (gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten) en minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigden: mr. S. van der Zalm en mr. L. Anvelink) Procesverloop 24/109 Met het besluit van 15 november 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2017 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) herberekend, opnieuw vastgesteld en een geldbedrag van de landbouwer teruggevorderd. Met het besluit van 19 december 2023 (bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van de landbouwer gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 15 november 2022 herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2017 gewijzigd vastgesteld. De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 24/189 Met het besluit van 18 november 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2018 op grond van de Uitvoeringsregeling herberekend, opnieuw vastgesteld en een geldbedrag van de landbouwer teruggevorderd. Met het besluit van 10 januari 2024 (bestreden besluit II) heeft de minister het bezwaar van de landbouwer gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 18 november 2022 herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2018 gewijzigd vastgesteld. De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 24/392 Met het besluit van 17 januari 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling herberekend, opnieuw vastgesteld en een geldbedrag van de landbouwer teruggevorderd. Met het besluit van 11 maart 2024 (bestreden besluit III) heeft de minister het bezwaar van de landbouwer gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 17 januari 2023 herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2019 gewijzigd vastgesteld. De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit III beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 24/562 Met het besluit van 10 februari 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2020 op grond van de Uitvoeringsregeling herberekend, opnieuw vastgesteld en een geldbedrag van de landbouwer teruggevorderd. Ook is aan de landbouwer een sanctie opgelegd. Met het besluit van 21 mei 2024 (bestreden besluit IV) heeft de minister het bezwaar van de landbouwer gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 10 februari 2023 herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2020 gewijzigd vastgesteld. De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit IV beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 24/594 Met het besluit van 21 februari 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2021 op grond van de Uitvoeringsregeling herberekend, opnieuw vastgesteld en een geldbedrag van de landbouwer teruggevorderd. Ook is aan de landbouwer een sanctie opgelegd. Met het besluit van 31 mei 2024 (bestreden besluit V) heeft de minister het bezwaar van de landbouwer gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 21 februari 2023 herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2021 gewijzigd vastgesteld. De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit V beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 22 januari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Voor de landbouwer heeft [naam 1] ( [naam 1] ) ook aan de zitting deelgenomen. Overwegingen Inleiding 1. De landbouwer exploiteert een landbouwbedrijf. Hij heeft over de De gebruikstitel is dus vormvrij en mag achteraf worden opgesteld, maar moet per kalenderjaar en perceel blijken uit een op schrift gestelde overeenkomst of een verklaring van de eigenaar (met zijn handtekening) waaruit zijn (mondelinge) toestemming voor het gebruik door de landbouwer van zijn percelen blijkt. 24/109 5.1 Voor het jaar 2017 zijn de percelen 18, 22 en 23 in geschil. Volgens de landbouwer blijkt uit de grondgebruikersverklaring tussen hem en [naam 3] ( [naam 3] ) dat hij de percelen 22 en 23 mocht gebruiken en blijkt uit de grondgebruikersverklaring tussen hem en [naam 4] ( [naam 4] ) dat hij perceel 18 mocht gebruiken. De landbouwer beschikte dus over geldige gebruikstitels voor deze drie percelen. Op de zitting is namens de minister echter gesteld dat uit het kadastrale register andere namen blijken als eigenaar van deze percelen dan [naam 3] en [naam 4] . De landbouwer heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de eigenaren van die percelen, zoals die blijken uit het kadastrale register, hebben ingestemd met het gebruik van deze percelen door de landbouwer. Evenmin heeft de landbouwer stukken overgelegd waaruit blijkt dat de eigenaren toestemming hebben gegeven aan [naam 3] en [naam 4] om het gebruik van de percelen weer door te geven. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de landbouwer niet heeft aangetoond dat hij voor de kadastrale percelen 18, 22 en 23 een geldige gebruikstitel had. 5.2 Dit betekent dat het College dit beroep ongegrond zal verklaren. 24/189 6.1 Voor het jaar 2018 zijn de percelen 22, 23 en 24 in geschil. 6.2 Gelet op het oordeel van het College in rechtsoverweging 5.1 over de percelen 22 en 23 (in 2017) en de landbouwer ook over het jaar 2018 niet de bedoelde stukken heeft overgelegd, delen deze percelen in dat jaar hetzelfde lot. 6.3 Verder blijkt volgens de landbouwer uit de grondgebruikersverklaring tussen hem en [naam 5] ( [naam 5] ) dat hij perceel 24 mocht gebruiken. Hij heeft dus een geldige gebruikstitel voor dat perceel. Op de zitting is komen vast te staan dat [naam 6] ( [naam 6] ) in 2005 dit perceel heeft verkregen en in 2020 heeft verkocht. [naam 1] heeft op de zitting te kennen gegeven dat [naam 6] de echtgenote is van [naam 5] , waarop de minister heeft verklaard dat in een dergelijk geval zou worden gebeld om een en ander na te gaan. Omdat de minister dit heeft nagelaten, heeft hij naar het oordeel van het College zijn besluit ondeugdelijk voorbereid en mist het besluit op dit punt een draagkrachtige motivering. 6.4 Dit betekent dat dit beroep wegens schending van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 7:12 van de Awb gegrond zal worden verklaard. Het College zal het bestreden besluit II voor zover dit ziet op perceel 24 vernietigen. 24/392 7.1 Voor het jaar 2019 zijn de percelen 25, 27, 28 en 30 in geschil. 7.2 De landbouwer heeft voor perceel 25 een grondgebruikersverklaring tussen hem en [naam 5] overgelegd. Gelet op het oordeel van het College over perceel 24 in overweging 6.3, deelt perceel 25 voor het jaar 2019 hetzelfde lot. 7.3 Volgens de landbouwer heeft hij een geldige gebruikstitel voor de percelen 27, 28 en 30. Dit blijkt namelijk uit de grondgebruikersverklaring tussen hem en schapenhouderij [naam 7] B.V. en de verklaring van [naam 8] van het Waterschap [naam 9] (waterschap) van 8 november 2023. Het College is echter van oordeel dat, hoewel het waterschap eigenaar is van de percelen 27, 28 en 30, hiermee de landbouwer nog steeds niet heeft aangetoond dat hij het gebruiksrecht over die percelen had. De verklaring ziet namelijk op het gebruik van de percelen in de jaren 2020, 2021 en 2022 en dus niet op het gebruik van die percelen in het jaar 2019. Dat het volgens de landbouwer waarschijnlijk is dat de verklaring ook ziet op 2019 blijkt niet uit die verklaring en ook niet uit andere stukken. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de landbouwer niet heeft aangetoond dat hij in