Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-01-20
ECLI:NL:CBB:2026:10
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1654 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 op het hoger beroep van: Landbouwbedrijf [naam 1] , te [woonplaats] (vennootschap) (gemachtigde: P.J. Houtsma) tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juli 2023, kenmerk 21/752, in het geding tussen de vennootschap en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. M. Leegsma) en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) Procesverloop in hoger beroep De vennootschap heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost- Brabant van 14 juli 2023 (niet gepubliceerd). De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. De vennootschap heeft nadere stukken ingediend. Het College heeft de zaak op 13 oktober 2025 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Namens de vennootschap zijn ook [naam 2] en [naam 3] verschenen. De vennootschap heeft verzocht om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt. Grondslag van het geschil 1.1 De vennootschap is een landbouwbedrijf met onder andere graasdieren. Het boetebesluit van 4 november 2020 is gebaseerd op de bevindingen van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) die zijn vermeld in de ‘Berekening gebruik meststoffen 2018’. Om vast te stellen of de gebruiksnormen zijn overschreden heeft RVO voor de mestproductie van de graasdieren de bedrijfsspecifieke excretieberekening (BEX-berekening) van de vennootschap gevolgd die is opgesteld aan de hand van de Handreiking BEX. De voorraadbepaling van de graasdierenmest heeft RVO berekend aan de hand van de door de vennootschap opgeven hoeveelheden. Bij de gehalten is voor de beginvoorraad uitgegaan van het gemiddelde fosfaat- en stikstofgehalten in de gewogen en geanalyseerde afgevoerde rundveedrijfmest over 2017. Bij de gehalten in rundvee vaste mest is uitgegaan van forfaitaire waarden. Bij de eindvoorraad is uitgegaan van het gemiddelde fosfaat-en stikstofgehalte in de gewogen en geanalyseerde afgevoerde mest in 2018. 1.2 De minister heeft aan de vennootschap een boete opgelegd van € 25.734,50. De boete is als volgt opgebouwd: - een bedrag van € 15.799,- wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke mest; - een bedrag van € 679,- wegens overschrijding van de stikstofgebruiksnorm en - een bedrag van € 9.256,50 wegens overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm. 1.3 Met het besluit van 10 maart 2021, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister deze boete gehandhaafd. Uitspraak van de rechtbank 2.1 De rechtbank heeft het beroep van de vennootschap ongegrond verklaard, maar wel de minister veroordeeld in betaling van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen. 2.2 Volgens de rechtbank heeft de minister de overschrijding van de gebruiksnormen juist vastgesteld. De mestproductie is overgenomen uit de door de vennootschap zelf aangeleverde BEX-berekening. De systematiek van de stikstofgatberekening is alleen van toepassing op staldieren. De rechtbank overweegt dat geen aanleiding bestaat om ook hier een extra correctie voor stikstofverliezen toe te passen. De normeringen in de BEX – waaronder stikstofverliezen naar de lucht – zijn gebaseerd op adviezen van deskundigen die periodiek controleren of op grond van nieuw onderzoek en/of ervaringsgegevens aanleiding bestaat de normen te herzien. Ten aanzien van de voorraadbepaling overweegt de rechtbank dat voor de berekening die de vennootschap gebruikt geen grondslag in de meststoffenwetgeving bestaat. De begin- en Voor de berekening van de stikstofvervluchtiging bij staldieren heeft de minister in paragraaf 5.1.4.4 van het Boetebeleid een rekenmethode opgenomen. Bij de vennootschap is de mestproductie bepaald aan de hand van de BEX-berekening, dus gebaseerd op gegevens van het bedrijf zelf. Ook in de BEX-berekening is een bedrijfsspecifieke correctiefactor opgenomen voor stikstofvervluchtiging bij graasdieren. 5.2 De vennootschap is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de correctiefactor in de BEX-berekening in haar specifieke geval een te laag vastgestelde stikstofvervluchtiging oplevert. De alternatieve berekening die de vennootschap heeft overgelegd, is gebaseerd op de rekenmethode zoals die is neergelegd in paragraaf 5.1.4.4 van het Boetebeleid. Maar deze rekenmethode ziet op stikstofvervluchtiging bij staldieren, terwijl het hier gaat om de graasdieren die de vennootschap houdt. Hiermee heeft de vennootschap niet onderbouwd waarom specifiek voor haar bedrijf te weinig stikstofcorrectie heeft plaatsgevonden. De stelling van de vennootschap dat net als bij staldieren een extra stikstofcorrectie moet worden toegepast, omdat anders sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, gaat niet op. Zoals het College heeft overwogen in onder meer de uitspraak van het 19 december 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:724, onder 6.3) worden er verschillende berekeningswijzen toegepast bij graasdieren en bij staldieren. Er is daarom geen sprake van gelijke gevallen. Begin- en eindvoorraad 2018 6.1 Uit artikel 94, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Msw (Uitvoeringsregeling) volgt dat het stikstof- en fosfaatgehalte van de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheden dierlijke mest wordt bepaald aan de hand van de best beschikbare gegevens. Uit de toelichting op dit artikel (Stcrt. 2005, nr. 226, blz. 59) volgt dat de best beschikbare gegevens verkregen worden door de gehele voorraad te bemonsteren en te analyseren. Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan gerekend worden met de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten van de in het betreffende jaar bemonsterde afgevoerde mest. Als laatste, alleen als geen afvoer heeft plaatsgevonden, kan gebruik worden gemaakt van forfaitaire gehalten. Uit het vierde lid van artikel 94 van de Uitvoeringsregeling volgt dat de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, gelijk is aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen. 6.2 Omdat gegevens over de gehele voorraad graasdierenmest van de maatschap niet beschikbaar waren, heeft de minister bij het vaststellen van de beginvoorraad graasdierenmest in 2018 gerekend met de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten van de in 2017 bemonsterde afgevoerde drijfmest en voor de vaste mest met forfaitaire gehalten. Voor de eindvoorraad graasdierenmest in 2018 is gerekend met de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten van de in 2018 afgevoerde mest. Niet in geschil is dat deze berekening in overeenstemming is met artikel 94 van de Uitvoeringsregeling. De vennootschap heeft desondanks gesteld dat moet worden gerekend met resultaten die zijn gebaseerd op de maanden januari en februari 2018 voor de beginvoorraad en de maanden januari en februari 2019 voor de eindvoorraad. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de begin- en eindvoorraad wordt bepaald op basis van de gegevens over een kalenderjaar en niet over delen daarvan en dat de minister dus heeft gerekend met de best beschikbare gegevens. Redelijke termijn 7.1 Over het verzoek van de vennootschap om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, overweegt het College als volgt. In punitieve zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer dan vier jaar heeft geduurd. De termijn begint op het moment waar