Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-02-18
ECLI:NL:CBB:2025:93
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,853 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/454
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2025 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer)
(gemachtigde: [naam 3] )
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. drs. G.O. Hoeksma en mr. S. Piron)
Procesverloop
Met het besluit van 30 januari 2024 heeft de minister het verzoek van de ondernemer tot herziening van het besluit tot vaststelling van de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.
Met het besluit van 16 april 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 23 januari 2025. De gemachtigden hebben aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Aanleiding voor de procedure
1.1
De minister heeft de aan de ondernemer verleende subsidie vastgesteld en is daarbij in eerste instantie uitgegaan van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI)-code 45.32 (detailhandel in auto-onderdelen en -accessoires). Naar aanleiding van het door de ondernemer daartegen gemaakte bezwaar, heeft de minister in zijn besluit van 19 januari 2023 (vaststellingsbesluit) de Standaard Bedrijfsindeling (SBI)-code gewijzigd naar 47.64.1 (winkels in fietsen en bromfietsen) waardoor de ondernemer in aanmerking komt voor een opslag Voorraad Gesloten Detailhandel (VGD). De minister heeft de VGD-opslag niet uitbetaald, omdat de subsidievaststelling daarmee hoger zou uitvallen dan de subsidieverlening. De subsidie is dus vastgesteld op het bedrag dat genoemd werd in het besluit tot verlening van de subsidie. De ondernemer heeft geen beroep ingesteld tegen het vaststellingsbesluit.
1.2
Ten tijde van het vaststellingsbesluit hanteerde de minister een werkwijze waarbij de vaststelling van de subsidie nooit hoger mocht uitvallen dan het bedrag dat in het besluit tot subsidieverlening werd genoemd. In zijn uitspraak van 21 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:77) heeft het College in een zaak van een andere onderneming, kort gezegd, geconcludeerd dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de weg staat aan een hogere vaststelling van de subsidie gelet op de specifieke kenmerken in aard, doel en structuur van de TVL.
1.3
De ondernemer heeft de minister verzocht het vaststellingsbesluit te herzien. Dit verzoek heeft de minister afgewezen omdat nieuwe rechtspraak geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
1.4
De ondernemer is het daar niet mee eens en stelt zich op het standpunt dat de subsidie op een bedrag van € 16.063,16 moet worden vastgesteld (waarbij de VGD-opslag is meegerekend). Andere ondernemers zijn ook achteraf in aanmerking gekomen voor de VGD-opslag. Het is onredelijk dat de minister alleen terugkomt op een besluit dat evident onjuist is als de ondernemer wel in beroep was gegaan.
Beoordeling
2.1
Bij een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In dat geval toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In dat geval toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
2.2
Naar het oordeel van het College is het standpunt van de minister dat de ondernemer aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist. In bezwaar had de ondernemer aangevoerd dat hij in aanmerking diende te komen voor de VGD-opslag. In het vaststellingsbesluit staat uitdrukkelijk dat de VGD-opslag niet leidt tot een hogere subsidievaststelling. Als de ondernemer het daar niet mee eens was, had hij beroep tegen het vaststellingsbesluit moeten indienen, maar hij heeft dat niet gedaan. Dit maakt dat de omstandigheid dat de ondernemer in aanmerking komt voor de VGD-opslag geen nieuw feit is. De minister hoefde ook niet te herzien naar aanleiding van de uitspraak van het College van 21 februari 2023. Het is namelijk vaste rechtspraak dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb (vergelijk de uitspraak van het College van 2 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:217). Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de ondernemer aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit in beginsel dragen. Dat is slechts anders als het besluit om niet terug te komen van dat eerdere besluit evident onredelijk is.
2.3
Voor het oordeel dat de weigering om een eerder besluit te herzien evident onredelijk is, moeten zich bijzondere feiten en/of omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat de minister in het geval van de ondernemer minder belang heeft mogen hechten aan overwegingen van rechtszekerheid en doelmatig bestuur dan aan het financiële belang van de ondernemer. Van zulke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Daarbij is van belang dat de ondernemer de mogelijkheid heeft gehad om tegen de (volgens hem) te lage vaststelling rechtsmiddelen in te stellen. Dat heeft hij niet gedaan. Verder heeft de ondernemer niet aannemelijk gemaakt dat de minister in andere gevallen besluiten waartegen geen rechtsmiddelen waren aangewend, wel heeft herzien naar aanleiding van de onder 1.2 genoemde rechtspraak van het College. In het door de ondernemer genoemde geval waarin de VGD-opslag tot een hogere subsidievaststelling heeft geleid, was (anders dan in dit geval) wel beroep ingediend.
Conclusie
3 De minister heeft het herzieningsverzoek van de ondernemer terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. M. Ettema