Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-01-20
ECLI:NL:CBB:2025:58
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
646 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1450
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2025
Rechter: mr. R.W.L Koopmans
Griffier: mr. C.D.V. Efstratiades
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] , (onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi en mr. J.W.P. van Oosten
Overwegingen
De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 18 juni 2024. Met deze uitspraak heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 3 mei 2023 ongegrond verklaard. Met het besluit van 3 mei 2023 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen het besluit van 7 december 2022 (vaststellingsbesluit) waarmee de minister de subsidie van de onderneming voor het vierde kwartaal van 2021 op € 0,- heeft vastgesteld en het betaalde voorschot van € 82.332,48 heeft teruggevorderd, niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister met het besluit van 3 mei 2023 het bezwaar tegen het vaststellingsbesluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de onderneming zonder goede reden buiten de termijn bezwaar heeft gemaakt. De door de onderneming genoemde omstandigheden maken de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
Op de verzetzitting van 20 januari 2025 heeft de onderneming naar voren gebracht dat het om een klein hotel gaat, dat zij in de coronaperiode veel werknemers moest laten gaan en dat de hotelmanager daardoor zelf achter de receptie stond. De hotelmanager heeft het indienen van de subsidieaanvragen op zich genomen, maar zag op een gegeven moment door de bomen het bos niet meer.
Het College begrijpt dat het een zware tijd is geweest voor de onderneming, maar stelt vast dat de onderneming in verzet geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 18 juni 2024 niet juist is. Het verzet is daarom ongegrond. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.D.V. Efstratiades