Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-10-03
ECLI:NL:CBB:2025:570
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,460 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 25/745
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer)
(gemachtigden: mr. L.W. Tellegen en mr. H.E.M. van Beurden),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, (B&W)
(gemachtigden: mr. M. Boermans, mr. S. Ju en S. Ham).
Procesverloop
Met het besluit van 19 december 2024 (weigeringsbesluit) heeft B&W de aanvraag van de ondernemer voor een ontheffing op grond van artikel 6 van de Verordening winkeltijden Amsterdam 2017 (Verordening) afgewezen.
De ondernemer heeft tegen het weigeringsbesluit bezwaar gemaakt.
De ondernemer heeft hangende bezwaar de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het weigeringsbesluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar wordt geschorst, dat de ondernemer zijn winkel gedurende de schorsing van het besluit mag openstellen van maandag tot en met donderdag tot 01:00 uur en van vrijdag tot en met zondag tot 03:00 uur als ware hij in het bezit van een ontheffing op grond van de Verordening, en om B&W te veroordelen in de proceskosten en het betaalde griffierecht.
De zitting was op 3 oktober 2025. Aan de zitting hebben de ondernemer en de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het weigeringsbesluit wordt geschorst en dat B&W de ondernemer moet behandelen als ware hij in het bezit van een ontheffing als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Verordening waarbij de avondwinkel van maandag tot en met donderdag tot 01:00 uur en van vrijdag tot en met zondag tot 03:00 uur geopend mag zijn;
bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van het besluit op het bezwaar van de ondernemer;
draagt het B&W op het betaalde griffierecht van € 194,- aan de ondernemer te vergoeden;
- veroordeelt B&W in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 1.814,-.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter oordeelt dat de ondernemer spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Gelet op de door hem overgelegde financiële stukken, waaronder een ingebrekestelling van een aanbieder van zakelijke leningen en beleggingen, heeft de ondernemer aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van zijn bedrijfsvoering in het geding is.
2 Op grond van artikel 2, derde lid, van de Verordening kan B&W weigeren een ontheffing te verlenen, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de exploitatie van de winkel gevaar zal opleveren voor de openbare orde of veiligheid dan wel het woon- en leefklimaat ter plaatse op ontoelaatbare wijze nadelig zal beïnvloeden. B&W heeft de ontheffing geweigerd omdat de winkel is gevestigd in een buurt waar al jarenlang overlast is van hangjongeren en een crimineel netwerk, en waar bewoners ’s avonds en ’s nachts niet meer over straat durven vanwege de grote hoeveelheid incidenten en het daarmee gepaard gaande gevoel van onveiligheid. Een avondwinkel zou een extra plek voor hangjongeren en overlast creëren. B&W vindt de openbare orde en veiligheid in het gebied belangrijker dan de uitbreiding van de openingstijden van de ondernemer.
3 Zoals het College al vaker heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 augustus 2016, ECLI:NL:CBB:2016:279), kan het gemeentebestuur bij de weigering om een ontheffing te verlenen niet volstaan met alleen een algemeen beeld van de veiligheidssituatie, maar moeten er ook concrete aanwijzingen zijn dat de exploitatie van de betreffende winkel zal bijdragen aan de overlast of de onveiligheid. De voorzieningenrechter stelt vast dat B&W weliswaar stukken heeft ingebracht waaruit kan worden opgemaakt dat criminaliteit, overlast, hangjongeren en onveiligheid reële problemen zijn in de [wijk] , maar dat er geen informatie beschikbaar is gesteld op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat deze problemen in enige mate te relateren zijn aan de winkel van de ondernemer. Sinds de ondernemer de winkel exploiteert, is er geen enkele incidentmelding geweest die specifiek betrekking had op de winkel. Dat betekent dat het weigeringsbesluit, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en daarom in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
4 De voorzieningenrechter veroordeelt B&W in de door de ondernemer gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 ,- en een wegingsfactor 1). Ook moet B&W het door de ondernemer betaalde griffierecht aan hem vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. J.R. Willemstein
Afschrift verzonden aan partijen op: