Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-08-21
ECLI:NL:CBB:2025:558
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
714 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1097
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2025 op het verzet van
[naam] , te [woonplaats] (onderneming)
De onderneming is niet verschenen.
Voor de minister van Economische Zaken is aanwezig mr. P. van Veen.
Rechter: mr. M. Schoneveld
Griffier: J. Bustin
Overwegingen
1. Het College heeft met de uitspraak van 14 januari 2025 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 16 maart 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen het besluit over de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding.
2 In verzet heeft de ondernemer (namens de onderneming) aangevoerd dat het kan zijn dat de digitale post in de spam-folder terecht is gekomen, hetgeen kan verklaren waarom deze zijn aandacht niet heeft getrokken. De ondernemer heeft toegelicht dat op hem een grote psychische druk rustte door alle gevolgen van de coronamaatregelen, waaronder grote financiële problemen. Ook speelden er (andere) problemen in de privésfeer. Hij geeft aan dat de belastingaangiftes steeds tijdig zijn aangegeven. Deze gegevens hadden door de minister automatisch opgevraagd kunnen worden. De menselijke maat zou in dit geval voorop moeten staan.
3 Het College heeft in de uitspraak van 14 januari 2025, onder verwijzing naar de uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31) geoordeeld dat de overschrijding van de termijn aan de onderneming is toe te rekenen. Ook in verzet is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Dat het notificatiebericht over het besluit van 6 augustus 2022 mogelijk in de spambox terecht is gekomen, zoals de onderneming stelt, doet daar niet aan af. Van de ondernemer mocht verwacht worden dat hij tijdig in de digitale omgeving kijkt of er besluiten voor hem klaarstaan. Het College begrijpt dat de ondernemer in een moeilijke periode verkeerde. Uit de geschetste omstandigheden volgt evenwel niet dat de ondernemer in deze periode in het geheel niet in staat was om de digitale omgeving te raadplegen en tijdig bezwaar te maken.
4 Het verzet slaagt daarom niet. De uitspraak van 14 januari 2025 blijft in stand. Dit betekent dat de procedure hiermee is geëindigd.
w.g. M. Schoneveld w.g. J. Bustin