Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-09-30
ECLI:NL:CBB:2025:540
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,370 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/987
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2025 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., te [woonplaats 1] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigde: mr. Y. Groen)
Procesverloop
Met het besluit van 22 april 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister het definitieve subsidiebedrag op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) vastgesteld op € 125,83. Van het al betaalde voorschot moet € 4.397,81 worden terugbetaald.
Met het besluit van 14 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 4 september 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de onderneming [naam 2] en namens de minister zijn gemachtigde mr. Y. Groen.
Overwegingen
Beoordeling door het College
1. In deze zaak moet het College beoordelen of de minister het bezwaar tegen het vaststellingsbesluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
2 De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:7 van de Awb zes weken. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Het vaststellingsbesluit is genomen op 22 april 2024. De termijn van zes weken liep tot 3 juni 2024. Op 19 augustus 2024 heeft de minister het bezwaarschrift van de onderneming ontvangen. Het bezwaarschrift is daarmee ruim tweeënhalve maand na het verstrijken van de termijn ontvangen.
3 De onderneming voert in de eerste plaats aan dat zij al eerder een bezwaarschrift heeft ingediend. Op de zitting heeft de ondernemer toegelicht dat hij dit op 12 juni 2024 op de post heeft gedaan in aanwezigheid van zijn vrouw in [woonplaats 2] . De minister heeft verklaard dat er in de administratie, ook na hernieuwd onderzoek, geen eerder ontvangen bezwaarschrift dan dat van 19 augustus 2024 is geregistreerd. De ondernemer kan de verzending van het bezwaarschrift op 12 juni 2024 verder niet onderbouwen. Het College gaat er daarom bij de verdere beoordeling vanuit dat de onderneming het bezwaarschrift op19 augustus 2024 heeft ingediend. Dat is ruim buiten de termijn. Als de ondernemer ook al op 12 juni 2024 een bezwaarschrift had ingediend, was dat overigens ook meer dan een week te laat gebeurd.
4.1
De onderneming voert verder aan dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is wegens persoonlijke omstandigheden. Op de zitting heeft de ondernemer nader toegelicht dat hij meerdere medische behandelingen heeft ondergaan in de periode van 2023 tot en met begin 2024 en dat de vader van de ondernemer in die periode is overleden.
4.2
Voor het kader voor de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). Daarin staat, onder meer, dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid rekening moet worden gehouden met persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf. De uitspraak noemt als voorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van een naaste en daarmee gepaard gaande zorgtaken. Verder is in die uitspraak overwogen dat het bestaande wettelijk kader een minder strikte benadering maar zeer beperkt toelaat. Dit kan alleen maar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3
In dit geval moet het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift naar het oordeel van het College aan de onderneming worden toegerekend. Het College ziet wel dat sprake was van vervelende medische en persoonlijke omstandigheden, maar naar zijn oordeel is niet gebleken dat die zodanig ernstig waren, dat de onderneming in periode van 22 april 2024 tot en met 3 juni 2024 niet in staat was een bezwaarschrift in te dienen. Omdat de onderneming dit pas zeer ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn heeft gedaan, is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
5 Het College komt niet toe aan een beoordeling van de juistheid van het vaststellingsbesluit. Ten overvloede merkt het College daarover nog op dat op de zitting is besproken dat de minister de regels juist lijkt te hebben toegepast. Dat de onderneming veel geld moet terugbetalen lijkt vooral te komen omdat met de subsidie lang niet alle (extra) kosten worden vergoed, en omdat de energiekosten in 2023 lager uitvielen dan aanvankelijk werd verwacht.
6 Het beroep is ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van B. van den Bergh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2025.
w.g. D. Brugman w.g. B. van den Bergh