Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-02-04
ECLI:NL:CBB:2025:50
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,719 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/13
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 februari 2025 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats]
(gemachtigde: mr. drs. A.C.M. Brom MA LLM)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs)
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Procesverloop
Met het besluit van 7 februari 2020 (dwangsombesluit) heeft de minister aan [naam] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.4, zevende lid, van het Besluit houders van dieren en hem daarbij de maatregel opgelegd dat hij ervoor moet zorgen dat de wijze van toediening van voer geen onnodig lijden of letsel toebrengt aan zijn dieren.
Met het besluit van 20 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en daarbij ook verzocht om aan hem een vergoeding toe te kennen van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van het verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.
De minister heeft met de brief van 28 augustus 2024 (desgevraagd) aanvullende stukken ingestuurd en zich daarin tevens op het standpunt gesteld dat geen sprake (meer) is van procesbelang.
Met de brief van 12 september 2024 heeft het College [naam] verzocht aan te geven waarin volgens hem het procesbelang is gelegen.
Met de brief van 12 september 2024 en de e-mailberichten van 15 oktober 2024 en 2 november 2024 heeft [naam] een reactie ingezonden en aanvullende stukken ingediend.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 14 november 2024. De zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaken geregistreerd onder de nummers 21/14 en 21/15. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
Het bestreden besluit
Ontvankelijkheid van het beroep
1.1
Het College zal allereerst beoordelen of [naam] nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit, met andere woorden of sprake is van procesbelang. Als procesbelang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk.
1.2
Volgens [naam] heeft hij belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bij het bestreden besluit gehandhaafde dwangsombesluit. Hij voert daartoe aan dat het rapport van bevindingen dat van de controle van 7 januari 2020 is opgemaakt en het daarop vervolgens gebaseerde dwangsombesluit ertoe hebben geleid dat de meervoudige economische raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 2 maart 2020 (RK-nummer 20/102) tot gedeeltelijke stillegging van zijn bedrijf heeft bevolen voor de duur van zes maanden en hij daardoor schade heeft geleden. Als gevolg van de stillegging heeft hij zijn runderen namelijk om niet van de hand moeten doen, zo heeft hij op de zitting verklaard.
Daarnaast is volgens [naam] sprake van procesbelang, omdat hij heeft verzocht om een vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten en immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
Verder kan het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het gehandhaafde dwangsombesluit volgens [naam] van belang zijn in het geval hij een aanvraag om een vergunning voor het wijzigen of uitbreiden van zijn bedrijf indient. Bij de in dat kader te verrichten beoordeling zal namelijk aan de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Bibob) worden getoetst. Als aan hem in totaal minimaal twee dwangsombesluiten zijn opgelegd, zal dat, aldus [naam] , leiden tot een negatief Bibob-advies en kan hij geen vergunning krijgen. In de zaak met het nummer 21/15 heeft de minister ook een dwangsombesluit aan hem opgelegd.
1.3
Zoals het College in zijn uitspraak van onder meer 10 september 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:626, onder 4.2) heeft overwogen is voor de vraag of nog procesbelang bestaat van belang wat degene die beroep heeft ingesteld met zijn beroep nastreeft. Het doel dat diegene hiermee wil bereiken, moet hij daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor hem feitelijke betekenis hebben en niet alleen een hypothetische. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel indien een inhoudelijk oordeel over het besluit van belang kan zijn bij toekomstige (terugkerende) besluiten.
1.4
Het College stelt vast dat de geldigheidsduur van één jaar van het dwangsombesluit inmiddels is verstreken, zodat dat besluit is uitgewerkt.
Met het dwangsombesluit heeft de minister één maatregel aan [naam] opgelegd. Er zijn geen dwangsommen verbeurd en de minister heeft geen invorderingsbesluit genomen. [naam] heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat hij niets heeft gedaan om aan de maatregel uit het dwangsombesluit te voldoen en daarvoor dus ook geen kosten heeft gemaakt. Volgens [naam] had het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch hem op 11 januari 2023 namelijk vrijgesproken, was er volgens de Gezondheidsdienst voor dieren niets aan de hand en waren de dieren inmiddels ook afgevoerd.
1.5
Het College stelt verder vast dat de stillegging van het bedrijf van [naam] door de rechtbank Oost-Brabant is gebaseerd op ernstige bezwaren die toen tegen [naam] en zijn onderneming bestonden. Het ging, gelet op de beschikking van de rechtbank van 2 maart 2020, om milieu- en dierenwelzijnsvoorschriften. De belangen die door deze voorschriften worden beschermd, vereisten volgens de rechtbank onmiddellijk ingrijpen. Het betrof onder meer ernstige bezwaren ter zake van feiten die [naam] in of omstreeks de periode van 1 tot en met 8 januari 2020 in de gemeente [gemeente] (volgens de rechtbank) heeft begaan. Het gaat er daarbij om dat [naam] volgens de rechtbank met de wijze van toediening van voer zijn dieren onnodig lijden of letsel toebracht.
Aan het dwangsombesluit ligt een controle van 7 januari 2020 ten grondslag. Dat besluit heeft dus betrekking op en is het gevolg van waarnemingen die zijn gedaan in de periode tussen 1 tot en met 8 januari 2020. Gelet op de beschikking van de rechtbank heeft de strafrechter echter een eigen afweging gemaakt mede op basis van een dossier van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 8 januari 2020. Uit de beschikking blijkt niet dat de strafrechter bij zijn beslissing betekenis heeft toegekend aan het dwangsombesluit van 7 februari 2020. Voor zover moet worden aangenomen dat [naam] schade heeft geleden als gevolg van de stillegging, staat die gestelde schade in een te ver verwijderd verband van het dwangsombesluit.
1.6
Het College is verder, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 juni 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:378, onder 2.4.3 en 2.4.4), van oordeel dat de omstandigheid dat [naam] heeft verzocht om een vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten en van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, geen belang oplevert. In een geval als dit, waarin het bestuursorgaan zijn besluit heeft gehandhaafd, levert het enkele niet toekennen van een vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten niet langer een zelfstandig procesbelang op. Op het verzoek om een vergoeding van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan daarnaast afzonderlijk worden beslist, zonder dat het College daarvoor een oordeel hoeft te geven over de rechtmatigheid van het gehandhaafde dwangsombesluit.
1.7
Het College volgt [naam] daarnaast niet in zijn stelling dat een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het gehandhaafde dwangsombesluit van belang kan zijn bij een toekomstig besluit omtrent een aanvraag om een vergunning vanwege een in dat kader te verrichten Bibob-beoordeling. Het College neemt hierbij in aanmerking dat [naam] op de zitting heeft bevestigd dat hij geen concrete wijzigings- of uitbreidingsplannen heeft en dat hij daarvoor dus ook nog geen vergunningaanvraag heeft ingediend waarbij de Bibob-beoordeling een struikelblok dreigt te vormen.
1.8
Gelet op het vorenstaande heeft [naam] geen belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bij het bestreden besluit gehandhaafde dwangsombesluit. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het College niet toekomt aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden.
Overschrijding redelijke termijn (artikel 6 EVRM)
2 [naam] heeft het College in deze zaak en in de zaken met de nummers 21/14 en 21/15 verzocht aan hem een vergoeding toe te kennen van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
In zijn uitspraak van vandaag (ECLI:NL:CBB:2025:51) in de zaken 21/14 en 21/15 heeft het College geoordeeld dat in één procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden en dat het College voor de drie zaken gezamenlijk slechts eenmaal het forfaitaire bedrag van € 500,- per half jaar aan schadevergoeding zal hanteren. In die uitspraak heeft het College het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM toegewezen (in één procedure) en de minister en de Staat al veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan [naam] tot een bedrag van onderscheidenlijk € 283,78 en € 3.216,22.
Dictum
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.M. Smorenburg en mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. W.I.K. Baart