Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-08-26
ECLI:NL:CBB:2025:441
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
866 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/509
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2025 op het verzet van
[naam] , te [woonplaats] (betrokkene)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 14 januari 2025.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting op 24 juli 2025. Partijen hebben niet aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 14 januari 2025 heeft het College het beroep van betrokkene tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (nu: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) van 8 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet is betaald.
2 Betrokkene heeft in verzet aangevoerd dat zij haar post laat doorsturen, maar dat aangetekende post niet onder de doorzendservice van PostNL valt. Verder heeft zij haar adreswijziging doorgegeven aan de rechtbank Den Haag en is zij inmiddels uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen. Daardoor is het adres waarover het College beschikte, achterhaald. Bij het verzetschrift heeft zij een (correspondentie)adres in [woonplaats] opgegeven.
3 Het College heeft in de uitspraak van 14 januari 2025 overwogen dat op 7 juni 2024 via de gewone post een nota is verzonden en op 12 juli 2024 met de aangetekende post een herinneringsbrief. Nadat de aangetekende brief niet was afgehaald bij het afhaalpunt van PostNL, is de herinneringsbrief nogmaals verzonden met de gewone post. Die brief is niet retour afzender gekomen. In de brief van 12 juli 2024 is aan betrokkene meegedeeld dat niet of niet tijdige betaling van het griffierecht kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De brieven zijn steeds verzonden naar het adres dat betrokkene bij het beroepschrift heeft opgegeven.
4 Het College onderschrijft de overwegingen in de uitspraak van 14 januari 2025. Verder vindt het College het niet aannemelijk dat betrokkene de verschillende brieven niet heeft ontvangen. Daarbij kent het College betekenis toe aan het feit dat op 7 juni 2024 in een afzonderlijke brief is verzocht om het aanvullen van gronden van het beroep. Betrokkene heeft bij e-mailbericht van 28 september 2024 de gronden aangevuld met verwijzing naar die brief van 7 juni 2024 en daarin kenbaar gemaakt zich bewust te zijn van de termijnen en daar in de toekomst rekening mee te houden.
5 Ten overvloede overweegt het College nog dat betrokkene haar beroepschrift tegen het besluit van 8 april 2024 heeft ingediend op 3 juni 2024. Dat is na het verstrijken van de beroepstermijn.
6 Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2025.
w.g. T.G.M. Simons w.g. J.R. Willemstein