Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-01-07
ECLI:NL:CBB:2025:44
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
569 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/73, 23/74 en 23/836
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2025
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. L.N. Foppen
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming), waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De onderneming heeft aanvragen ingediend voor subsidie voor Q2 van 2021, Q3 van 2021 en Q1 van 2022. De minister heeft de verleende subsidies op een lager bedrag vastgesteld voor Q3 van 2021 en Q1 van 2022 en op een hoger bedrag vastgesteld voor Q2 van 2021. De minister is voor de berekening van het omzetverlies in de subsidieperiodes uitgegaan van de aangiftes omzetbelasting.
2 Het College oordeelt dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de gegevens van de Belastingdienst volgt. De onderneming betaalt over haar gehele omzet omzetbelasting. In dat geval moet de minister de gegevens van de Belastingdienst gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies.
3 Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet. Dat de onderneming meerdere keren de eigen administratie heeft gehanteerd bij de verzoeken om vaststelling van de subsidie is daarvoor onvoldoende. De minister heeft in het nadere verweerschrift toegelicht dat twee keer ten onrechte niet de aangifte van de omzetbelasting is gevolgd, maar de eigen administratie van de onderneming. Daarover is geen overleg geweest met de onderneming. Voor de overige periodes geldt dat de toegekende subsidie in overeenstemming is met de gegevens van de Belastingdienst. Dat twee keer in afwijking van de TVL subsidie is verleend is in deze zaak, gelet op wat is overwogen in de uitspraak van het College van 21 mei 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:341) onvoldoende om een schending van het rechtszekerheidsbeginsel aan te nemen.
w.g. B. Bastein w.g. L.N. Foppen