Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-08-26
ECLI:NL:CBB:2025:439
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,096 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1445
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2025 op het verzet van
[naam] , te [woonplaats] (betrokkene)
en
Argonaut Advies B.V. (Argonaut)
Procesverloop
Betrokkene heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 14 januari 2025.
De zitting was op 24 juli 2025. Aan de zitting heeft betrokkene deelgenomen.
Overwegingen
1. Met het besluit van 8 mei 2023 heeft Argonaut het bezwaar van betrokkene tegen een besluit over een OV Begeleiderskaart niet-ontvankelijk verklaard omdat zij deze met de uitspraak van het College van 7 maart 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:123) al had gekregen. Met de uitspraak van 14 januari 2025 heeft het College het beroep van betrokkene tegen het besluit van 8 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De laatste dag van de termijn was 19 juni 2023. Het beroepschrift is digitaal ingediend op 29 juni 2023. De termijnoverschrijding kan aan betrokkene worden toegerekend. Dat zij door haar beperkingen en doordat telkens voor langere periodes haar mantelzorger niet beschikbaar is, meer tijd nodig heeft voor alle handelingen rond het met de post versturen van een beroepschrift, heeft er niet aan in de weg gestaan dat zij langs digitale weg een beroepschrift heeft ingediend. Dat zij geen vast internetabonnement heeft en dat zij de WMO-taxi niet handig vindt voor de afstand van haar huisadres naar de bibliotheek, rechtvaardigt niet de conclusie dat digitale indiening binnen de termijn niet mogelijk was.
2 Betrokkene heeft in verzet aangevoerd dat zij al vóór 19 juni 2023 telefonisch kenbaar heeft gemaakt dat zij beroep wilde instellen en daarbij heeft aangegeven dat zij niet over internet beschikte. Betrokkene had daarnaast de verwachting dat zij en Argonaut samen tot een oplossing zouden komen in twee zaken. Toen bleek dat dit slechts voor één van beide zaken gold, was zij genoodzaakt zich voor de tweede zaak tot het College te wenden. Verder voert betrokkene aan dat er sprake is van overmacht, omdat zij vanwege haar persoonlijke omstandigheden meer tijd nodig heeft voor het indienen van een beroepschrift dan een persoon die niet te maken heeft met deze omstandigheden.
3 Het College onderschrijft de overwegingen in de uitspraak van 14 januari 2025. Wat betrokkene in verzet heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dat en met wie betrokkene al vóór 19 juni 2023 contact heeft opgenomen, heeft het College niet kunnen vaststellen.
4 Voor de duidelijkheid merkt het College nog het volgende op. Op de zitting is gebleken dat het belang van betrokkene bij dit beroep is gelegen in erkenning van een misslag van Argonaut en vergoeding van de extra kosten die zij daardoor heeft moeten maken. Betrokkene kon niet direct en volledig beschikken over de door haar bij Argonaut aangevraagde OV Begeleiderskaart, omdat haar een OV Begeleiderskaart is toegekend voor de duur van (slechts) één jaar. Pas nadat zij daartegen beroep had ingesteld, is met de uitspraak van het College van 7 maart 2023 voorzien in een OV Begeleiderskaart voor de (reguliere) duur van vijf jaar. Ook als het beroep tegen het besluit van 8 mei 2023 wel ontvankelijk zou zijn, had zij met dit beroep vergoeding van de (beperkte) extra kosten niet kunnen bereiken.
5 Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd. Argonaut hoeft geen proceskosten te vergoeden. Wel ziet het College aanleiding om te bepalen dat het voor dit beroep betaalde griffierecht wordt terugbetaald.
Dictum
Het College:
- verklaart het verzet ongegrond;
- bepaalt dat de griffier van het College het in beroep betaalde griffierecht van € 184,- aan betrokkene terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2025.
w.g. T.G.M. Simons w.g. J.R. Willemstein