Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-08-26
ECLI:NL:CBB:2025:435
Bestuursrecht
Verzet
939 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2031
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2025 op het verzet van
[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [woonplaats] (onderneming)
(gemachtigde: J.A.T. Aalders AA)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigde: mr. J.W.P. van Oosten)
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 7 mei 2024.
De zitting was op 24 juli 2025. De gemachtigde van de minister heeft aan de zitting deelgenomen. Hoewel de gemachtigde van de onderneming uitdrukkelijk heeft verzocht om te worden gehoord, was deze niet op de zitting aanwezig.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 7 mei 2024 heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat (nu: de minister van Economische Zaken) van 18 augustus 2022 ongegrond verklaard. De minister heeft met dit besluit het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2022 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
2 De bezwaartermijn eindigde op 28 april 2022. Het bezwaarschrift, gedateerd op 26 april 2022, is op 3 mei 2022 door PostNL bij de minister bezorgd, nadat op diezelfde dag de enveloppe was afgestempeld. De onderneming heeft aangevoerd dat het bezwaarschrift op 26 april 2022 op het kantoor van de gemachtigde is opgesteld. Dit staat ook zo in de urenverantwoording van de opsteller. Op diezelfde dag heeft een medewerker van het kantoor het bezwaarschrift in een brievenbus gedeponeerd nadat deze eerst een postzegel op de envelop had geplakt omdat er geen frankeermachine was. In het postregister van het kantoor staat dat het bezwaarschrift op die dag is verzonden. De onderneming heeft in verzet herhaald dat waarschijnlijk door een combinatie van een vroege lichting van de brievenbus op 26 april 2022, een feestdag en een weekeinde, het bezwaarschrift (te) laat is bezorgd. Dat is buiten haar schuld. Het bezwaarschrift is immers tijdig, want binnen de termijn, ter post bezorgd. Het College heeft in de uitspraak van 7 mei 2024 geoordeeld dat de termijnoverschrijding aan de onderneming kan worden toegerekend. Het is vaste rechtspraak dat als een envelop een leesbaar poststempel bevat, bewijsrechtelijk uitgangspunt is dat de terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag dat de envelop door PostNL is afgestempeld. Daarmee is nog niet uitgesloten dat de onderneming het bezwaarschrift tijdig per post heeft bezorgd. Het is aan de onderneming om dit aannemelijk te maken. Daarin is zij niet geslaagd. De datering en de schriftelijke stukken van het kantoor van de gemachtigde zijn daarvoor niet toereikend. Dat is zo, omdat zelfs als rekening wordt gehouden met het gegeven dat 27 april 2022 een feestdag was waarop geen lichting van de brievenbus heeft plaatsgevonden, er nog drie werkdagen lagen tussen de gestelde datum van terpostbezorging en de ontvangstdatum. Het College ziet geen grond om in verzet anders te oordelen.
3 Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
4 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2025.
w.g. T.G.M. Simons w.g. J.R. Willemstein