Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-01-13
ECLI:NL:CBB:2025:43
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
748 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1865
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2025
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. A. Verhoeven
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn mr. P. van Rooij en [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S. Piron en C. Zieleman
Overwegingen
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 18 juni 2024. Met deze uitspraak heeft het College het beroep van de onderneming (kennelijk) ongegrond verklaard en geoordeeld dat de minister het bezwaar van de onderneming met het besluit op bezwaar van 14 september 2023 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De onderneming heeft namelijk naar het oordeel van het College zonder goede redenen buiten de termijn bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 februari 2023 tot vaststelling van de subsidie voor de periode Q3 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19.
De onderneming heeft aangevoerd dat zij het vaststellingsbesluit van 9 februari 2023 niet heeft ontvangen. De onderneming stelt dat zij tijdens de aanvraagprocedure geregeld contact heeft gehad met de RVO via e-mail en brieven en dat zij er daarom op mocht vertrouwen dat, ondanks dat zij bij aanvraag heeft aangevinkt via het digitale platform informatie te willen ontvangen, zij het vaststellingsbesluit ook via brief/e-mail zou ontvangen. De onderneming is hard getroffen door de coronacrisis en is niet in staat om het voorschot terug te betalen.
Het College stelt vast dat vaststellingsbesluit op de juiste wijze is bekendgemaakt. De minister heeft het vaststellingsbesluit in de digitale omgeving geplaatst en daarop is een notificatie verzonden aan het door de onderneming bij de aanvraag opgegeven e-mailadres. De minister is niet verplicht om naast het plaatsen van het besluit in de digitale omgeving, waarvoor de onderneming toestemming heeft gegeven, het besluit ook nog per post of e-mail te versturen. Het komt voor rekening en risico van de onderneming als de notificatie niet wordt opgemerkt, ook in het geval de onderneming zich heeft laten bijstaan door een gemachtigde.
4 Het feit dat een besluit ingrijpend van aard is dan wel grote financiële gevolgen heeft, speelt geen rol bij de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding. Het College verwijst naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31).
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A. Verhoeven