Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-01-28
ECLI:NL:CBB:2025:35
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,385 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummers: AWB 24/899 en 24/937
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2025 in de zaken tussen
[de instelling] B.V., te [plaats] ( [de instelling] )
(gemachtigde: mr. K.J. Breedijk)
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Samenvatting
In deze uitspraak oordeelt het College dat de beroepen tegen de door de minister op 27 augustus 2020 en 18 augustus 2021 vastgestelde verdeelplannen medische vervolgopleidingen 2021 en 2022 (verdeelplannen 2021 en 2022) gegrond zijn. Gelet op een uitspraak van het College van 30 januari 2024 missen deze verdeelplannen een deugdelijke wettelijke grondslag.
Overwegingen
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om vast te stellen dat het beroep (kennelijk) gegrond is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Het College heeft in een uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:41) het beroep dat ziekenhuizen van de Onderwijs- en Opleidingsregio Leiden hadden ingesteld tegen het verdeelplan 2023 gegrond verklaard, omdat het verdeelplan een deugdelijke wettelijke grondslag mist, en dit verdeelplan herroepen.
3 Bij besluit van 31 december 2020 heeft de minister het door [de instelling] tegen het verdeelplan 2021 gemaakte bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard. [de instelling] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.
Daarna heeft [de instelling] ook tegen het verdeelplan 2022 bezwaar gemaakt. De minister heeft ingestemd met rechtstreeks beroep en heeft het bezwaar doorgestuurd aan de rechtbank Zeeland–West-Brabant om dit als een beroep in behandeling te nemen.
De rechtbank heeft op 15 juli 2022 uitspraak in de beide beroepen gedaan. Naar aanleiding van het door [de instelling] ingestelde hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak bij uitspraak van 8 oktober 2024 de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de rechtbank onbevoegd verklaard om van de beroepen kennis te nemen, met veroordeling van de minister in de proceskosten. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de beide zaken ter behandeling doorgestuurd aan het College.
4. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van 30 januari 2024 volgt dat de beroepen van [de instelling] gegrond moeten worden verklaard. Net als het verdeelplan 2023 dat in die zaak centraal stond moeten ook de verdeelplannen 2021 en 2022 worden beschouwd als concretisering van eerdere aanwijzingen. De minister heeft die verdeelplannen gebaseerd op de aanwijzingsbevoegdheid van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg).
Daarin is bepaald dat de minister algemene aanwijzingen aan de Nederlandse Zorgautoriteit kan geven. In de uitspraak van 30 januari 2024 heeft het College geoordeeld dat artikel 7 van de Wmg de minister geen bevoegdheid geeft om ter concretisering van een aanwijzing nadere besluiten te nemen die zelf geen aanwijzing zijn. Bovendien mag zo’n aanwijzing geen betrekking hebben op een individuele zorgaanbieder, ziektekostenverzekeraar of consument. De minister is formeel en inhoudelijk buiten zijn in artikel 7 van de Wmg gegeven bevoegdheid getreden door verdeelplannen vast te stellen waarin voor individuele zorgaanbieders per specialisme is bepaald wat het maximale aantal opleidingsplaatsen is. De verdeelplannen 2021 en 2022 missen daarom een deugdelijke wettelijke grondslag.
5 De beroepen zijn (kennelijk) gegrond. Het College vernietigt het besluit van 31 december 2020. Het College voorziet zelf in de zaak door de verdeelplannen 2021 en 2022 te herroepen.
6 Bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak is de minister al veroordeeld tot vergoeding van de door [de instelling] gemaakte proceskosten. In de procedure bij het College is niet gebleken van meer of andere proceskosten. Het College draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 742,- aan [de instelling] te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt het besluit van 31 december 2020;
herroept het verdeelplan 2021 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
herroept het verdeelplan 2022;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 742,- aan [de instelling] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.
C.T. Aalbers J.M.M. Bancken
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.