Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-05-13
ECLI:NL:CBB:2025:297
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,084 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/55
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 mei 2025 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats]
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes)
Procesverloop
Met het besluit van 19 september 2022 (subsidiebesluit) heeft de minister de aanvraag van [naam] om subsidie op grond van artikel 4.7.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (Regeling) gedeeltelijk afgewezen.
Met het besluit van 7 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] tegen het subsidiebesluit ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
De zitting was op 19 maart 2025. Aan de zitting hebben [naam] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Aanleiding voor deze procedure
1. [naam] heeft op 12 februari 2022 subsidie ten bedrage van € 27.360,-
aangevraagd ten behoeve van de aanschaf van een ruggenfreesmachine van het type Grimme GF 400-75 met als extra onderdeel een drempelmachine van het type terraProtect.
2 Met het subsidiebesluit heeft de minister € 4.387,50 aan subsidie verstrekt aan [naam] . Volgens de minister komt op grond van artikel 4.7.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling, in samenhang met investeringscategorie C1 van bijlage 5 van de Regeling, namelijk alleen de investering in een drempelmachine voor ruggenteelt voor subsidie in aanmerking. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en het subsidiebesluit in stand gelaten.
Standpunt van [naam]
3 [naam] voert aan dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om voor de hele machine subsidie te verstrekken. Hij merkt op dat in investeringscategorie C1 van bijlage 5 van de Regeling staat dat een drempelmachine voor ruggenteelten subsidiabel is en niet alleen het onderdeel van de machine dat de drempels maakt. Volgens [naam] zijn er geen drempelmachines die zelfstandig kunnen functioneren. Verder merkt hij op dat in investeringscategorie C1 niet duidelijk is omschreven wat wel en niet subsidiabel is, terwijl dat bijvoorbeeld in investeringscategorie A3 wel het geval is.
Beoordeling
4 Het College ziet zich voor de vraag gesteld of de minister terecht alleen subsidie voor de drempelmachine heeft verleend. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
4.1
Uit de offerte voor de ruggenfreesmachine blijkt dat de drempelmachine niet behoort tot de standaarduitrusting ervan. [naam] wilde de drempelmachine als extra bij de ruggenfreesmachine aanschaffen. Zowel de ruggenfreesmachine als de drempelmachine hebben ieder een eigen nuttige functie. Dat de drempelmachine tegelijk en samen met de ruggenfreesmachine zou worden aangeschaft maakt dit niet anders. Blijkens de investeringscategorie C1 van bijlage 5 van de Regeling wordt subsidie verstrekt voor materieel ten behoeve van bewerking van percelen om de kans op perceelafspoeling te reduceren. Daarom is, voor zover hier van belang, alleen een drempelmachine subsidiabel gesteld, omdat deze dient om de kans op perceelafspoeling te reduceren. Dit betekent dat de ruggenfreesmachine, die uit zichzelf deze functionaliteit niet heeft, niet voor subsidie in aanmerking komt, ook niet wanneer deze tegelijk en samen met een drempelmachine wordt aangeschaft. Dat de drempelmachine waarop [naam] het oog heeft alleen in combinatie met een ruggenfreesmachine kan worden gebruikt, maakt dit niet anders.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. H.S.J. Albers en mr. C.M. Wissels, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2025.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. H. Caglayankaya