Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-04-15
ECLI:NL:CBB:2025:257
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,230 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 23/433
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 op het verzet van
[naam 1] , te [woonplaats] (onderneming)
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigde: mr. P. van Veen)
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 10 september 2024.
De zitting was op 13 maart 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 10 september 2024 heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 12 december 2022 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister met het besluit van 12 december 2022 het bezwaar van de onderneming tegen het besluit van 17 maart 2022 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de termijn die aan de onderneming kan worden toegerekend. Bij het besluit van 17 maart 2022 is de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 op nihil vastgesteld en het betaalde voorschot teruggevorderd.
2 De onderneming heeft in verzet aangevoerd dat zij een inhoudelijke onderbouwing mist voor het oordeel van het College dat de mentale toestand van de ondernemer niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kan leiden, terwijl het College wel verwijst naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In die uitspraak is duidelijk verwoord dat psychische en mentale omstandigheden meegewogen moeten worden in de beoordeling of de termijnoverschrijding kan worden toegerekend. Er was voor de onderneming sprake van bijzondere omstandigheden en het mentale effect daarvan op de ondernemer is onvoldoende meegewogen. Door schuldenstress beschikte de ondernemer die verantwoordelijk was voor de onderneming niet over de mentale ruimte om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Daarnaast heeft de onderneming aangevoerd dat voor ondernemingen in dezelfde omstandigheden, die kort voor het ingaan van de Corona-maatregelen een nieuwe activiteit hebben opgestart maar daarvoor niet in dezelfde administratieve branchecode vielen, wel passende maatregelen zijn genomen.
3 Het College heeft in de uitspraak van 10 september 2024 voor het beoordelingskader verwezen naar de onder 2 genoemde uitspraak van het College van 30 januari 2024 en geoordeeld dat de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift aan de onderneming kan worden toegerekend. Daartoe heeft het College overwogen dat de gevolgen van de Corona-maatregelen zeker impact zullen hebben gehad op de onderneming, maar dat daarin de onderneming niet van vele andere ondernemingen verschilt. Verder heeft het College in de uitspraak overwogen dat het tot de verantwoordelijkheid van de onderneming behoort om, ook in een drukke periode, goed op te letten en tijdig bezwaar te (laten) maken tegen besluiten waar deze het niet mee eens is. Van omstandigheden die maken dat de onderneming in de onmogelijkheid verkeerde om tijdig een bezwaarschrift in te dienen, is niet gebleken.
4 Ook in verzet is niet gebleken van dusdanige omstandigheden, die maken dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet aan de onderneming kan worden toegerekend. Het College acht in dit kader van belang dat de onderneming wel in staat is gebleken om op 8 maart 2022 de omzetgegevens voor de vaststelling van de subsidieverlening door te geven. In bezwaar heeft de onderneming, gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding, onder meer aangegeven dat pas in augustus 2022 een redelijke inschatting kon worden gemaakt van de levensvatbaarheid en de financiële positie van de onderneming. Vervolgens is op 1 september 2022, ruim vier maanden na het verstrijken van de termijn, bezwaar ingesteld. Ten slotte wijst het College er op dat de belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling van de verschoonbaarheid geen rol spelen, zie de eerdergenoemde uitspraak van het College van 30 januari 2024, onder 2.2.
5 Wat de ondernemer in verzet heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de uitspraak van 10 september 2024 niet juist is. Het verzet is daarom ongegrond. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Schoneveld, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2025.
w.g. M. Schoneveld w.g. J.R. Willemstein