Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-03-10
ECLI:NL:CBB:2025:230
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,209 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/1110
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van
10 maart 2025
Rechters: mr. R.W.L. Koopmans, mr. B. Bastein en mr. W.J.A.M. Brussel
Griffier: mr. J.M. Baars
Partijen
[naam] , te [woonplaats] (onderneming)
(gemachtigden: mr. D.N. Broerse en mr. F.M. van der Laan)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes)
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 19 november 2024;
draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan de onderneming te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van
€ 1.814,-.
Overwegingen
1. De onderneming heeft voor het eerste kwartaal van 2022 subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aangevraagd. Met het besluit van 31 maart 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de minister die aanvraag afgewezen, omdat met de voor eerdere kwartalen aan de onderneming verleende subsidie het staatssteunplafond van 2,3 miljoen euro was bereikt. Tegen dat afwijzingsbesluit is niet tijdig een rechtsmiddel aangewend. Met twee afzonderlijke besluiten van 6 april 2023 heeft de minister de voor het derde en vierde kwartaal van 2021 op grond van de TVL aan de onderneming verleende subsidie ingetrokken. De onderneming heeft daarin aanleiding gezien om op 3 juni 2024 om herziening van het afwijzingsbesluit te verzoeken. De minister heeft – met het besluit van 18 september 2024, gehandhaafd met het besluit op bezwaar van 19 november 2024 – dat herzieningsverzoek afgewezen.
2 Het College is van oordeel dat het beroep gegrond is en overweegt daarbij het volgende.
3.1
Geen reden wordt gezien om de minister te volgen in zijn stelling dat het herzieningsverzoek onredelijk laat is ingediend. In zijn uitspraak van 6 juli 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:707), waar door de minister naar is verwezen, heeft het College weliswaar overwogen dat het uitgangspunt is dat een verzoek tijdig is indien het is ingediend binnen één jaar na de relevante gebeurtenis dan wel het relevante moment, maar in de omstandigheden van dit geval en de toevoeging ‘in beginsel’ in rechtsoverweging 6.6 van de uitspraak van 6 juli 2021 ziet het College voldoende ruimte om hier anders te oordelen.
3.2
In het verweerschrift heeft de minister aangegeven dat het alsnog vrijkomen van ruimte binnen het staatssteunplafond door hem wordt aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Nu met de aan het herzieningsverzoek ten grondslag gelegde (intrekkings)besluiten van 6 april 2023 ruimte is vrijgekomen binnen het staatssteunplafond, had het dan ook op de weg van de minister gelegen om over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling. Voor zover de minister het – door de onderneming betwiste – standpunt heeft ingenomen dat laatstgenoemde besluiten hoe dan ook niet kunnen leiden tot het alsnog verstrekken van subsidie voor het eerste kwartaal van 2022, omdat de onderneming een overheidsbedrijf is in de zin van artikel 25g, eerste lid, van de Mededingingswet, ontbreekt daarvoor een deugdelijke motivering.
4 Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd, omdat de afwijzing van het herzieningsverzoek ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Wegens het ontbreken van voldoende gegevens kan het College niet zelf in de zaak voorzien. De minister wordt daarom opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van dit proces-verbaal een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
5 Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het door de onderneming betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Het College zal verder de minister veroordelen in de door de onderneming in beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. J.M. Baars