Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-01-21
ECLI:NL:CBB:2025:21
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,272 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/1337, 23/1338, 23/1339, 23/1340
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2025 in de zaken tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. T.N. Vis)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigde: mr. A.M.D. Dijkstra)
Procesverloop
Met vier afzonderlijke besluiten van 23 mei 2022 heeft de minister de meldingen van de onderneming van 11 mei 2022 aangemerkt als pro-forma-aanvragen om een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2020, voor het eerste (Q1), tweede (Q2) en vierde (Q4) kwartaal van 2021 en deze vervolgens afgewezen.
Met de besluiten van 21 april 2023 (bestreden besluiten) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 december 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Voor de onderneming was verder aanwezig [naam 2] .
Overwegingen
Inleiding
1.1
In deze zaak gaat het om de vraag of de minister de pro-forma-aanvragen van de onderneming voor subsidie op grond van de TVL voor Q4 van 2020, Q1, Q2 en Q4 van 2021 van 2021 terecht heeft afgewezen, omdat deze buiten de daarvoor geldende aanvraagperiode zijn ingediend.
1.2
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
2.1
De onderneming erkent dat zij de aanvragen te laat heeft ingediend. Zij heeft daarvoor de volgende redenen gegeven. Binnen de aanvraagperioden heeft de onderneming bekeken of zij in aanmerking zou komen voor een subsidie op grond van de TVL. De onderneming heeft daarvoor ook externe adviseurs ingeschakeld. Uit de ‘Adviestool TVL’ (adviestool) van de minister volgde echter dat alleen omzet die volgt uit de aangifte omzetbelasting wordt meegenomen bij de berekening of sprake is van omzetverlies en of een onderneming in aanmerking zou komen voor een subsidie. De externe adviseur heeft contact opgenomen met medewerkers van de minister. In die gesprekken is het vermoeden van de onderneming dat zij niet in aanmerking zou komen voor subsidie bevestigd. Ook het aanvraagformulier wekt ten onrechte de suggestie dat alleen naar de omzet van de aangifte omzetbelasting wordt gekeken. Daar staat namelijk dat “de bedragen moeten overeenkomen met de bedragen die zijn opgegeven bij de Belastingdienst.” De onderneming wijst in dit verband naar een uitspraak van het College van 25 juli 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:399). Pas na afloop van de aanvraagperioden is komen vast te staan dat zogenaamde vrijgestelde omzet ook kon worden opgegeven om te bepalen of sprake was van omzetverlies. Volgens de onderneming heeft de minister in strijd met het vertrouwens- en het evenredigheidsbeginsel gehandeld door de pro-forma-aanvragen af te wijzen.
2.2
Uit de relevante regelgeving (zie bijlage) volgt dat de minister afwijzend op een aanvraag beslist als deze aanvraag niet tijdig is ingediend. Te late indiening van een aanvraag is een dwingende afwijzingsgrond in de TVL voor alle kwartalen. De Algemene wet bestuursrecht, noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waarop de TVL gebaseerd is), biedt een grondslag om daarvan af te wijken.
2.3
Niet in geschil is dat de onderneming niet vóór de in de TVL opgenomen eindtijdstippen de aanvragen heeft ingediend. Voor de wijze waarop de minister omgaat met dergelijke aanvragen, verwijst het College naar zijn uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293), onder 6.1 tot en met 6.4. Het College merkt op dat het daarbij gaat om beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zullen ook de bestreden besluiten (onder meer) worden getoetst.
2.4
Het College ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, alleen al omdat niet is gebleken van een concrete en op de onderneming toegespitste uitlatingen van de kant van de minister dat zogenaamde vrijgestelde omzet niet kan worden meegenomen bij de bepaling van het omzetverlies. Uit het dossier blijkt niet wat namens de minister in de met de onderneming gevoerde telefoongesprekken hierover zou zijn medegedeeld. Uit de adviestool zelf blijkt evenmin van zo’n concrete uitlating. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.
2.5
Het College ziet verder in alle omstandigheden die de onderneming naar voren heeft gebracht, geen grond voor het oordeel dat het vasthouden door de minister aan de aanvraagtermijnen in dit geval onevenredig is. De onderneming is verantwoordelijk voor het doen van tijdige aanvragen. Dat de onderneming het aanvraagformulier onduidelijk vond en in combinatie met hoe de adviestool moest worden ingevuld, de conclusie heeft getrokken dat het geen zin had om aanvragen in te dienen, zijn geen uitzonderlijke omstandigheden die maken dat de minister gehouden is TVL toe te kennen. Uit de aanhef van de adviestool blijkt juist dat niet alle voorwaarden en situaties zijn opgenomen in de tool en dat een onderneming altijd TVL kan aanvragen. De keuze die de onderneming heeft gemaakt om op basis van de door haar getrokken conclusie geen aanvragen in te dienen, waardoor ook geen rechtsmiddelen tegen afwijzingen konden worden aangewend, komt voor haar rekening en risico.
Conclusie
3 Het College is dus van oordeel dat de minister de aanvragen terecht heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de aanvragen binnen de aanvraagperioden zijn ingediend. De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. P.M. Beishuizen
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19
Q4 2020
Artikel 2.1.6. (afwijzingsgronden) eerste lid, onder a
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels
Artikel 2.1.8. (aanvraagperiode) eerste en tweede lid
1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 25 november 2020 tot en met 29 januari 2021.
2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 12.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
Q1 2021
Artikel 2.2.4. (afwijzingsgronden) eerste lid, onder a
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels
Artikel 2.2.6. (aanvraagperiode) eerste en tweede lid
1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 15 februari 2021 tot en met 18 mei 2021.
2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 12.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
Q2 2021
Artikel 2.3.6. (afwijzingsgronden) eerste lid, onder a
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels
Artikel 2.3.8. (aanvraagperiode) eerste en tweede lid
1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 25 juni 2021 tot en met 20 augustus 2021.
2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 08.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
Q4 2021
Artikel 2.5.5. (afwijzingsgronden) eerste lid, onder a
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels
Artikel 2.5.7. (aanvraagperiode) eerste en tweede lid
1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 20 december 2021 tot en met 11 februari 2022.
2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 08.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.