Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-03-25
ECLI:NL:CBB:2025:196
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
689 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummers: 24/169 t/m 24/173
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2025 op het verzet van
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S. Piron en C. Zielemans)
Procesverloop
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 10 september 2024.
De zitting was op 13 januari 2025. Aan de zitting hebben de ondernemer en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 10 september 2024 heeft het College de beroepen van de onderneming tegen vijf besluiten van de minister van 18 juni 2023 (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft vastgesteld dat de ondernemer (veel) te laat beroep heeft ingesteld en de ondernemer geen goede reden had om dit niet op tijd te doen.
2 Met de besluiten van 18 juni 2023 heeft de minister de bezwaren van de ondernemer tegen het afwijzen van zijn te laat gedane aanvragen voor TVL-subsidie ongegrond verklaard.
3 De ondernemer heeft in verzet aangevoerd dat hij zijn gronden had willen toelichten op een zitting. Het frustreert hem dat zijn beroepen, na veelvuldig contact over wanneer de zitting zou zijn, zijn afgedaan zonder zitting. De ondernemer wijst erop dat hij voor Q4 2020 in bezwaar alsnog subsidie toegekend heeft gekregen.
4 Het College stelt vast dat de ondernemer in verzet niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 10 september 2024 niet juist is. Onder de vijf besluiten stond duidelijk vermeld dat rechtsmiddelen konden worden aangewend en binnen welke termijn. De beroepen zijn bijna een jaar te laat ingediend. Het College ziet geen bijzondere omstandigheden om deze termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het College wijst er daarbij op dat de ondernemer de vijf aanvragen, anders dan de aanvraag voor Q4 2020, te laat heeft ingediend en daarom hoe dan ook aan een inhoudelijke beoordeling niet kan worden toegekomen. Het verzet is daarom ongegrond. Dit betekent dat de zaken met deze uitspraak zijn geëindigd.
Dictum
Het College verklaart de verzetten ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2025.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A. Verhoeven