Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-02-20
ECLI:NL:CBB:2025:147
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
831 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1336
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2025
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: J.R. Willemstein
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming) waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. drs. G.O. Hoeksma en C. Zieleman
Overwegingen
1. De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 26 november 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:851). De onderneming had herziening gevraagd van het besluit van de minister van 5 augustus 2022 (vaststellingsbesluit). In dat besluit is de eerder verleende subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021 vastgesteld en een gedeelte van het betaalde voorschot teruggevorderd. Het College heeft geoordeeld dat de minister het herzieningsverzoek heeft mogen afwijzen, omdat de onderneming geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Dat de onderneming een fout had gemaakt bij het invullen van haar vaststellingsverzoek, had de onderneming in bezwaar tegen het vaststellingsbesluit kunnen aanvoeren. Het College achtte de afwijzing van het herzieningsverzoek ook niet evident onredelijk. De enkele omstandigheid dat het vaststellingsbesluit financiële gevolgen heeft voor de onderneming, is daarvoor onvoldoende.
2 De onderneming stelt zich op het standpunt dat door haar tegen te werpen dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het vaststellingsbesluit geen recht wordt gedaan aan de bedoeling van de TVL, die toch als doel had om ondernemers financieel te ondersteunen in verhouding tot hun omzetverlies. Er is sprake van een evidente onredelijkheid.
3 Het College is van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Voor het oordeel dat de weigering om een eerder besluit te herzien evident onredelijk is, moeten zich bijzondere feiten of omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat de minister in het geval van de onderneming minder belang heeft mogen hechten aan overwegingen van rechtszekerheid en doelmatig bestuur dan aan het financiële belang van de onderneming. Daarbij is van belang dat de ondernemer de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te maken tegen het vaststellingsbesluit. De onderneming was er direct na het indienen van haar vaststellingsverzoek al van op de hoogte dat zij een fout had gemaakt bij het invullen daarvan. In bezwaar had de onderneming dit aan de orde kunnen stellen. Dat de onderneming geen bezwaar heeft gemaakt komt voor haar rekening en risico.
4 Nu de onderneming in verzet verder niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 26 november 2024 niet juist is, is het verzet ongegrond.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. J.R. Willemstein