Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-03-04
ECLI:NL:CBB:2025:133
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,753 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/923, 23/924 en 23/925
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2025 op het verzoek om schadevergoeding in de zaken tussen
V.O.F. [naam 1] ., handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. W. Dam en mr. T. Khidous)
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), (Staat)
Procesverloop
Het College heeft met de uitspraak van 28 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:22) geoordeeld over de beroepen met de zaaknummers 23/924 en 23/925 van de onderneming tegen de besluiten van de minister van 14 februari 2023.
De onderneming heeft in beroep ook een verzoek gedaan om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (verzoek om schadevergoeding). Het College beslist in deze uitspraak op dat verzoek.
Naar aanleiding van het verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.
Overwegingen
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat op grond van artikel 8:94, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing is op een verzoek om schadevergoeding, bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De onderneming heeft tegen drie besluiten beroep ingediend. Het College heeft met de uitspraak van 28 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:22) geoordeeld over de beroepen met de zaaknummers 23/924 en 23/925 van de onderneming tegen de besluiten van de minister van 14 februari 2023. De beroepszaak met zaaknummer 23/923 heeft de onderneming op de zitting ingetrokken. De onderneming heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
Beoordeling
2.1
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM komt voor toewijzing in aanmerking (in één procedure).
2.2
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag voor de toerekening van een eventuele schadevergoeding de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
2.3
In dit geval gaat het om meerdere beroepszaken van één belanghebbende die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk de vraag of sprake is van een startende onderneming. Het is niet aannemelijk dat de onderneming extra spanning en frustratie heeft ondervonden vanwege de lange duur van de procedure in meer dan één zaak. De drie zaken zijn vanaf de bezwaarfase gezamenlijk behandeld. Een hoorzitting heeft niet plaatsgevonden. De besluiten op de bezwaren zijn vervolgens op dezelfde dag genomen (14 februari 2023). In de beroepsfase zijn de drie zaken 23/923, 23/924 en 23/925 gezamenlijk behandeld. Het voorgaande betekent dat het College bij overschrijding van de redelijke termijn voor de drie zaken gezamenlijk slechts eenmaal het forfaitaire bedrag van € 500,- per half jaar aan schadevergoeding zal hanteren. Omdat de bezwaren niet tegelijkertijd zijn ingediend, dient ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van het eerst ingediende bezwaarschrift en de afronding van de langstlopende procedure. Vergelijk onder 5.4 en 5.5 van de uitspraak van het College van 4 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:51).
2.4
Het eerste ingediende bezwaarschrift heeft de minister op 26 augustus 2022 (zaaknummers 23/924 en 23/925) ontvangen. De minister heeft de bestreden besluiten op 14 februari 2023 genomen. Het College heeft op 28 januari 2025 uitspraak gedaan en op de beroepen beslist. Gerekend vanaf 26 augustus 2022 zijn ten tijde van de uitspraak twee jaar en minder dan zes maanden verstreken. De redelijke termijn is dus met minder dan een half jaar overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven om de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, is geen sprake. De onderneming heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500,-. De termijn voor het behandelen van het verzoek om immateriële schadevergoeding telt niet mee.
2.5
De overschrijding is aan het College toe te rekenen, omdat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Dit betekent dat de Staat gehouden is om de schade te vergoeden. De minister is steeds binnen de termijn van een half jaar voor de behandeling van het bezwaar gebleven.
3 Het College veroordeelt de Staat in de kosten die de onderneming in verband met haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijze heeft moeten maken. Deze proceskosten worden vastgesteld op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5).
Dictum
Het College:
veroordeelt de Staat tot betaling van € 500,- aan de onderneming voor immateriële schade;
veroordeelt de Staat in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. M. Ettema
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.