Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-03-04
ECLI:NL:CBB:2025:131
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,133 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1658
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats]
(gemachtigde: mr. R.S. Wijling)
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college van b en w)
(gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman)
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat)
Procesverloop
Op 17 mei 2021 heeft [naam 1] een verzoek om schadevergoeding bij het college van b en w ingediend vanwege het niet verlenen van een vergunning voor het verrichten van taxidiensten.
Op 19 juli 2021 heeft het college van b en w het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Op 30 augustus 2022 heeft [naam 1] bij het College om schadevergoeding verzocht als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
[naam 1] heeft een nader stuk ingediend en daarbij het College tevens verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het College heeft daarom de Staat als partij aangemerkt.
Het college van b en w heeft nadere stukken ingediend.
De zitting was op 23 januari 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en zijn vrouw [naam 2] , bijgestaan door zijn gemachtigde en namens het college van b en w zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 3] .
[naam 1] en het college van b en w hebben op de zitting een schikking getroffen over het verzoek om schadevergoeding vanwege het niet verlenen van de vergunning, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Hierop heeft [naam 1] dat verzoek om schadevergoeding ingetrokken. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft hij gehandhaafd.
Overwegingen
1 Ter beoordeling ligt alleen nog het verzoek voor om schadevergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
2.1
Voor een schadevergoedingsprocedure wegens een onrechtmatig besluit, zoals in dit geval voor de schikking en intrekking aan de orde was, geldt als uitgangspunt dat de procedure niet langer mag duren dan twee jaar. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
2.2
De termijn is begonnen op de datum waarop het College het verzoekschrift heeft ontvangen, te weten 30 augustus 2022, en is geëindigd met de schikking op de zitting van 23 januari 2025. De procedure heeft daarmee twee jaar en bijna vijf maanden geduurd. Van factoren die aanleiding geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna vijf maanden. [naam 1] heeft daarom recht op € 500,- schadevergoeding. Het College zal de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan [naam 1] .
3 Het College zal de Staat veroordelen in de kosten die [naam 1] in verband met zijn verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 453,50 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, met een waarde van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5).
Dictum
Het College:
- veroordeelt de Staat tot betaling aan [naam 1] van een vergoeding van
immateriële schade ter hoogte van € 500,-;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van
€ 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. C.T. Aalbers en mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025.
w.g. M. van Duuren w.g. H. Caglayankaya