Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-12-10
ECLI:NL:CBB:2024:948
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
585 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1624, 23/1697 en 23/1698
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. A.A. Dijk
Partijen
[naam 1]
, te [plaats] (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en mr. drs. G.O. Hoeksma
Dictum
Het College:
wijst het verzoek om herziening (23/1624) af;
verklaart de beroepen (23/1697 en 23/1698) ongegrond.
Overwegingen
De onderneming heeft het College verzocht om zijn uitspraak van 30 mei 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:264) te herzien voor zover daarin het beroep met zaaknummer 22/470 ongegrond is verklaard. Het College wijst dat verzoek af, omdat de onderneming geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht naar voren heeft gebracht.
Naar aanleiding van de uitspraak van het College van 30 mei 2023 heeft de minister opnieuw beslist op de bezwaren van de onderneming tegen de afwijzing van haar subsidieaanvragen op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q4 van 2021 en Q1 van 2022. In lijn met de uitspraak van het College heeft de minister daarbij Q3 van 2020 als referentieperiode gehanteerd. Het College begrijpt dat het de onderneming frustreert dat zij nu alsnog geen subsidie heeft gekregen, maar ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister een andere referentieperiode had moeten gebruiken. Vlak voor Q3 van 2020 waren er geen juridische belemmeringen meer om omzet te maken. Dat voor de TVL-startersregeling voor Q4 van 2021 en Q1 van 2022 een andere referentieperiode geldt (Q3 van 2021), betekent niet dat de minister die periode ook in dit geval had moeten gebruiken. De onderneming voldoet namelijk niet aan de voorwaarden voor die regeling. De beroepen zijn ongegrond.
w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk