Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-12-10
ECLI:NL:CBB:2024:946
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
533 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/219
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. A.A. Dijk
Partijen
[naam 1] N.V., te [plaats] , (de onderneming), voor wie zijn verschenen mr. S. Nijenhuis, [naam 2] , [naam 3] en [naam 4]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en mr. drs. G.O. Hoeksma
Overwegingen
De minister heeft de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen omdat deze niet binnen de aanvraagperiode is ingediend.
Het College oordeelt dat het hanteren van deze aanvraagperiode niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het doel van de TVL was om ondernemingen zo snel mogelijk te ondersteunen bij het betalen van hun vaste lasten. Daar komt bij dat de minister uiterlijk op 30 juni 2022 op alle aanvragen moest hebben beslist, in verband met het aflopen van de Tijdelijke kaderregeling. Het College heeft al vaker geoordeeld dat het hanteren van een (kortere) aanvraagperiode om die reden niet onrechtmatig is (vergelijk de uitspraken van 11 december 2023, ECLI:NL:CBB:2023:741 en 14 december 2023, ECLI:NL:CBB:2023:748).
Verder oordeelt het College dat het afwijzen van de aanvraag niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het is de eigen keuze van de onderneming geweest om geen aanvraag in te dienen. Het College begrijpt de afweging die de onderneming heeft gemaakt, maar daarmee heeft zij een ondernemersrisico genomen dat voor haar rekening moet blijven. Dat de onderneming financiële gevolgen ervaart, maakt het bestreden besluit ook niet onevenredig.
w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk