Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-12-10
ECLI:NL:CBB:2024:904
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,287 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1811
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , (onderneming)
(gemachtigde: S. van Wissen AA)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 7 december 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 24.447,09. teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft de onderneming geen bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 18 april 2023 heeft de minister het verzoek om herziening van het vaststellingsbesluit afgewezen.
Met het besluit van 23 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft het herzieningsverzoek afgewezen, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het College zal, aan de hand van wat de ondernemer daarover aanvoert, onderzoeken of de minister zich terecht op dat standpunt heeft gesteld. Als dit zo is, dan kan het de afwijzing van het verzoek om terug te komen op het (onherroepelijk geworden) vaststellingsbesluit in beginsel dragen. Dat is slechts anders als het besluit om niet terug te komen op het vaststellingsbesluit evident onredelijk is.
De onderneming heeft erop gewezen dat de minister aan het vaststellingsbesluit ten grondslag heeft gelegd dat hij niet de beschikking had over (betrouwbare) omzetgegevens, zodat de subsidie op nihil is vastgesteld. Volgens de onderneming bevat de aangifte omzetbelasting over Q4 van 2021 van de fiscale eenheid waartoe de onderneming behoort betrouwbare omzetgegevens. De minister had op basis van deze gegevens kunnen vaststellen dat de onderneming voor Q4 van 2021 in aanmerking komt voor subsidie. Verder doet de onderneming een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij meent dat zij mogelijk anders wordt behandeld dan ondernemingen met maar één omzetbelastingnummer die ook geen vaststellingsverzoek hebben ingediend en waarbij de omzet is vastgesteld op basis van informatie van dat ene belastingnummer. Om daarover informatie te verkrijgen heeft de onderneming een verzoek op grond van de Wet open overheid ingediend bij de minister.
De minister heeft terecht vastgesteld dat de onderneming bij het herzieningsverzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Het standpunt van de onderneming dat uit de aangifte omzetbelasting over Q4 van 2021 blijkt dat zij recht heeft op subsidie, had de onderneming in bezwaar tegen het vaststellingsbesluit naar voren kunnen brengen. Op die manier had zij kunnen bewerkstelligen dat de minister de vaststelling alsnog had gebaseerd op gegevens uit de aangifte omzetbelasting. Dat geldt ook voor het beroep van de onderneming op het gelijkheidsbeginsel. Ook dit standpunt had de onderneming in bezwaar tegen het vaststellingsbesluit kunnen aanvoeren. De onderneming heeft ervoor gekozen geen bezwaar te maken tegen het vaststellingsbesluit. Het is niet mogelijk dit te herstellen door het indienen van een verzoek om herziening. De minister heeft het verzoek om herziening daarom mogen afwijzen, omdat de onderneming geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. De afwijzing van het verzoek om herziening door de minister is ook niet evident onredelijk.
Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.