Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-10-14
ECLI:NL:CBB:2024:895
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
548 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1215
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. M. Ettema
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming),
vertegenwoordigd door drs. G.M. Kamps en waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken,
vertegenwoordigd door mr. W. Dam en mr. P. van Veen
Overwegingen
1. De minister heeft de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,-, omdat de onderneming niet een omzetverlies van ten minste 20% heeft geleden. De minister heeft voor de berekening van de omzet gebruik gemaakt van de gegevens van de Belastingdienst en omzet opgeteld uit de administratie. Volgens de onderneming moet de minister de omzet van consumptiemunten nog optellen bij de omzet in het kwartaal waarin de munten verkocht zijn (Q4 van 2019).
2 Het College oordeelt dat de minister terecht het standpunt inneemt dat consumptiemunten pas omzet zijn in het kwartaal waarin de munten worden ingeleverd. Bij de uitgifte daarvan is niet op voorhand duidelijk wat het tarief van de omzetbelasting is van het met de munt aan te kopen goed is. Daarom maken consumptiemunten geen onderdeel uit van de omzet in de referentieperiode op het moment van de verkoop, maar op het moment van inleveren. Bij het inleveren is sprake van een opbrengst uit de levering van een goed zoals bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, van de TVL.
3 Daardoor is geen sprake van een geleden omzetverlies van ten minste 20% en is de subsidie vastgesteld op € 0,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2024.
B. Bastein M. Ettema