Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-11-05
ECLI:NL:CBB:2024:811
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,726 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/164 en 23/987
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaken tussen
[naam] , te [woonplaats] (de maatschap)
(gemachtigde: mr. A.K. van der Vis)
en
de minister van Economische Zaken
Samenvatting
In deze uitspraak veroordeelt het College de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep omdat de minister aan de maatschap is tegemoetgekomen.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om de minister te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 Het beroep met zaaknummer 23/164 is gericht tegen de verlening van € 31.575,80 aan subsidie voor Q1 2022 en het beroep met zaaknummer 23/987 is gericht tegen de vaststelling van subsidie op € 31.575,80 voor Q1 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister heeft ervoor gekozen om met het herzieningsbesluit van 12 juli 2024 (in 23/987) één nieuw besluit te nemen waarin de subsidie definitief is vastgesteld op € 38.305,71 op grond van de TVL.
5 Het College stelt vast dat de onderneming met de brief van 13 augustus 2024 het beroep heeft ingetrokken met daarbij het verzoek de minister in de proceskosten te veroordelen met verwijzing naar haar brief van 24 juli 2024 waarin een voorstel is gedaan over (de hoogte van) de proceskostenvergoeding. Reden hiervoor is dat de minister met het herzieningsbesluit van 12 juli 2024 (in 23/987) voor de maatschap alsnog een hogere subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 2022 heeft vastgesteld.
6 Het College is van oordeel dat de minister weliswaar geen herziene beslissing op bezwaar in de verleningsfase heeft genomen, maar dat het belang hierbij met de herziening in de vaststellingsfase is komen te vervallen, omdat de minister aan de ondernemer in beide zaken is tegemoetgekomen door alsnog een hoger subsidiebedrag vast te stellen op grond van de TVL. Nu de minister de ondernemer is tegemoetgekomen, ziet het College aanleiding de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep te veroordelen. Het College stelt vast dat deze beroepszaken gelet op artikel 3 van het Bpb samenhangen met nog 29 andere beroepszaken. In beginsel dienen de kosten op grond van artikel 2, eerste lid onder a, van het Bpb te worden vastgesteld op € 1.312,50 (1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van de beroepschriften met een wegingsfactor 1,5 in verband met samenhang en wegingsfactor 1,0 qua zwaarte). Aangezien het hier echter om 31 samenhangende zaken gaat is het College van oordeel dat dit forfaitaire bedrag niet in verhouding staat tot het aantal samenhangende zaken. Daarom ziet het College aanleiding om toepassing te geven aan het derde lid van artikel 2 van het Bpb en de kosten vast te stellen op in totaal € 3.100,- of te wel € 100,- per beroepszaak.
7 Met het herzieningsbesluit van 12 juli 2024 is door de minister al een vergoeding in bezwaar conform het Bpb aan de maatschap toegekend. Voor een (nadere) kostenveroordeling in bezwaar ziet het College geen aanleiding.
8 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 365,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Dictum
Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van € 200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/164 en 23/987
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaken tussen
[naam] , te [woonplaats] (de maatschap)
(gemachtigde: mr. A.K. van der Vis)
en
de minister van Economische Zaken
Samenvatting
In deze uitspraak veroordeelt het College de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep omdat de minister aan de maatschap is tegemoetgekomen.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om de minister te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 Het beroep met zaaknummer 23/164 is gericht tegen de verlening van € 31.575,80 aan subsidie voor Q1 2022 en het beroep met zaaknummer 23/987 is gericht tegen de vaststelling van subsidie op € 31.575,80 voor Q1 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister heeft ervoor gekozen om met het herzieningsbesluit van 12 juli 2024 (in 23/987) één nieuw besluit te nemen waarin de subsidie definitief is vastgesteld op € 38.305,71 op grond van de TVL.
5 Het College stelt vast dat de onderneming met de brief van 13 augustus 2024 het beroep heeft ingetrokken met daarbij het verzoek de minister in de proceskosten te veroordelen met verwijzing naar haar brief van 24 juli 2024 waarin een voorstel is gedaan over (de hoogte van) de proceskostenvergoeding. Reden hiervoor is dat de minister met het herzieningsbesluit van 12 juli 2024 (in 23/987) voor de maatschap alsnog een hogere subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 2022 heeft vastgesteld.
6 Het College is van oordeel dat de minister weliswaar geen herziene beslissing op bezwaar in de verleningsfase heeft genomen, maar dat het belang hierbij met de herziening in de vaststellingsfase is komen te vervallen, omdat de minister aan de ondernemer in beide zaken is tegemoetgekomen door alsnog een hoger subsidiebedrag vast te stellen op grond van de TVL. Nu de minister de ondernemer is tegemoetgekomen, ziet het College aanleiding de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep te veroordelen. Het College stelt vast dat deze beroepszaken gelet op artikel 3 van het Bpb samenhangen met nog 29 andere beroepszaken. In beginsel dienen de kosten op grond van artikel 2, eerste lid onder a, van het Bpb te worden vastgesteld op € 1.312,50 (1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van de beroepschriften met een wegingsfactor 1,5 in verband met samenhang en wegingsfactor 1,0 qua zwaarte). Aangezien het hier echter om 31 samenhangende zaken gaat is het College van oordeel dat dit forfaitaire bedrag niet in verhouding staat tot het aantal samenhangende zaken. Daarom ziet het College aanleiding om toepassing te geven aan het derde lid van artikel 2 van het Bpb en de kosten vast te stellen op in totaal € 3.100,- of te wel € 100,- per beroepszaak.
7 Met het herzieningsbesluit van 12 juli 2024 is door de minister al een vergoeding in bezwaar conform het Bpb aan de maatschap toegekend. Voor een (nadere) kostenveroordeling in bezwaar ziet het College geen aanleiding.
8 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 365,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Dictum
Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van € 200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.