Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-10-22
ECLI:NL:CBB:2024:724
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,092 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1268
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. A.M.D. Dijkstra en mr. S. Piron)
Procesverloop
Met het besluit van 30 december 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie op grond van de Tijdelijke subsidieregeling evenementen 2022 (Regeling) afgewezen.
Met het besluit van 7 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 1 oktober 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] , namens de onderneming, en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
1 De onderneming heeft op 23 december 2022 een aanvraag gedaan op grond van de Regeling voor het evenement “An evening with [naam 3] ”, dat stond gepland op 29 januari 2022. Op 17 januari 2022 heeft de onderneming dit evenement geannuleerd. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat op het moment dat de onderneming het evenement annuleerde voor de geplande datum van het evenement geen evenementenverbod gold of was aangekondigd. De onderneming is het niet eens met de afwijzing.
Beoordeling
Voldoet de onderneming aan de vereisten voor recht op subsidie op grond van de Regeling?
2.1
Artikel 3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de minister aan de organisator van een evenement op aanvraag subsidie verstrekt ter dekking van de kosten voor het organiseren van een evenement dat niet plaatsvindt omdat het moet worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod.
2.2
In de uitspraak van 13 februari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:88) heeft het College overwogen dat uit het laatste gedeelte van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 (ATE) volgt dat op het moment dat een evenement wordt geannuleerd, sprake moet zijn van een evenementenverbod voor de datum waarop het evenement plaatsvindt. Anders wordt het evenement immers niet geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod. Nu artikel 3, eerste lid, van de Regeling nagenoeg gelijk is aan artikel 3, eerste lid, van de ATE, geldt die conclusie ook voor deze bepaling.
2.3
Op het moment dat de onderneming het evenement annuleerde, was er weliswaar een evenementenverbod, maar nog niet voor de datum waarop het evenement zou plaatsvinden. Dat betwist de onderneming ook niet. Het College overweegt dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling aan de minister een gebonden bevoegdheid geeft. Dat betekent dat de minister de subsidie niet mag verstrekken als niet wordt voldaan aan het vereiste in deze bepaling. De onderneming heeft het evenement niet geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod voor de datum van het geplande evenement en voldoet dus niet aan dit vereiste van dit artikel. De Regeling bevat geen hardheidsclausule.
Kan de onderneming een geslaagd beroep doen op het evenredigheidsbeginsel?
3.1
Het College begrijpt het betoog van de onderneming zo dat zij het bestreden besluit in strijd vindt met het evenredigheidsbeginsel en dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling in haar geval buiten toepassing moeten worden gelaten.
3.2
Omdat het hier gaat om een gebonden bevoegdheid van de minister, hanteert het College bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de in de uitspraak van (de grote kamer van) het College van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190, onder 8.2) neergelegde maatstaf. Het College zal dan ook hieronder beoordelen of het bestreden besluit onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.
3.3
Het bestreden besluit is alleen dan onevenwichtig als specifieke omstandigheden daar in het individuele geval van de onderneming aanleiding voor geven. De onderneming heeft geen zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd, die maken dat de minister had moeten afwijken van de Regeling. De omstandigheid dat het om een internationaal evenement gaat met buitenlandse gasten, is hiervoor onvoldoende. Het College neemt daarbij in aanmerking dat in de onder 2.2 genoemde uitspraak van het College van 13 februari 2024 ook sprake was van een groot internationaal evenement met veel buitenlandse gasten en dat het College ook in die zaak de afwijzing van de aanvraag niet onevenwichtig heeft geacht. De reden om eerder te annuleren, omdat de onderneming naar aanleiding van de persconferentie destijds de indruk had dat het evenementverbod niet geheel zou zijn opgeheven op het moment van het geplande evenement en om (een deel van de) kosten te besparen, is begrijpelijk vanuit de positie van de onderneming, maar zijn geen omstandigheden die de afwijzing onevenwichtig maken. Dat de onderneming vindt dat zij wel onder de doelgroep valt en de afwijzing niet past bij het doel van de Regeling zijn ook geen bijzondere omstandigheden die de afwijzing onevenwichtig maken. De afwijzing van de aanvraag is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, zodat er geen reden is om artikelen 3, eerste lid, van de Regeling in dit geval buiten toepassing te laten.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. B. Bastein w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1268
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. A.M.D. Dijkstra en mr. S. Piron)
Procesverloop
Met het besluit van 30 december 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie op grond van de Tijdelijke subsidieregeling evenementen 2022 (Regeling) afgewezen.
Met het besluit van 7 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 1 oktober 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] , namens de onderneming, en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
1 De onderneming heeft op 23 december 2022 een aanvraag gedaan op grond van de Regeling voor het evenement “An evening with [naam 3] ”, dat stond gepland op 29 januari 2022. Op 17 januari 2022 heeft de onderneming dit evenement geannuleerd. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat op het moment dat de onderneming het evenement annuleerde voor de geplande datum van het evenement geen evenementenverbod gold of was aangekondigd. De onderneming is het niet eens met de afwijzing.
Beoordeling
Voldoet de onderneming aan de vereisten voor recht op subsidie op grond van de Regeling?
2.1
Artikel 3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de minister aan de organisator van een evenement op aanvraag subsidie verstrekt ter dekking van de kosten voor het organiseren van een evenement dat niet plaatsvindt omdat het moet worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod.
2.2
In de uitspraak van 13 februari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:88) heeft het College overwogen dat uit het laatste gedeelte van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 (ATE) volgt dat op het moment dat een evenement wordt geannuleerd, sprake moet zijn van een evenementenverbod voor de datum waarop het evenement plaatsvindt. Anders wordt het evenement immers niet geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod. Nu artikel 3, eerste lid, van de Regeling nagenoeg gelijk is aan artikel 3, eerste lid, van de ATE, geldt die conclusie ook voor deze bepaling.
2.3
Op het moment dat de onderneming het evenement annuleerde, was er weliswaar een evenementenverbod, maar nog niet voor de datum waarop het evenement zou plaatsvinden. Dat betwist de onderneming ook niet. Het College overweegt dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling aan de minister een gebonden bevoegdheid geeft. Dat betekent dat de minister de subsidie niet mag verstrekken als niet wordt voldaan aan het vereiste in deze bepaling. De onderneming heeft het evenement niet geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod voor de datum van het geplande evenement en voldoet dus niet aan dit vereiste van dit artikel. De Regeling bevat geen hardheidsclausule.
Kan de onderneming een geslaagd beroep doen op het evenredigheidsbeginsel?
3.1
Het College begrijpt het betoog van de onderneming zo dat zij het bestreden besluit in strijd vindt met het evenredigheidsbeginsel en dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling in haar geval buiten toepassing moeten worden gelaten.
3.2
Omdat het hier gaat om een gebonden bevoegdheid van de minister, hanteert het College bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de in de uitspraak van (de grote kamer van) het College van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190, onder 8.2) neergelegde maatstaf. Het College zal dan ook hieronder beoordelen of het bestreden besluit onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.
3.3
Het bestreden besluit is alleen dan onevenwichtig als specifieke omstandigheden daar in het individuele geval van de onderneming aanleiding voor geven. De onderneming heeft geen zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd, die maken dat de minister had moeten afwijken van de Regeling. De omstandigheid dat het om een internationaal evenement gaat met buitenlandse gasten, is hiervoor onvoldoende. Het College neemt daarbij in aanmerking dat in de onder 2.2 genoemde uitspraak van het College van 13 februari 2024 ook sprake was van een groot internationaal evenement met veel buitenlandse gasten en dat het College ook in die zaak de afwijzing van de aanvraag niet onevenwichtig heeft geacht. De reden om eerder te annuleren, omdat de onderneming naar aanleiding van de persconferentie destijds de indruk had dat het evenementverbod niet geheel zou zijn opgeheven op het moment van het geplande evenement en om (een deel van de) kosten te besparen, is begrijpelijk vanuit de positie van de onderneming, maar zijn geen omstandigheden die de afwijzing onevenwichtig maken. Dat de onderneming vindt dat zij wel onder de doelgroep valt en de afwijzing niet past bij het doel van de Regeling zijn ook geen bijzondere omstandigheden die de afwijzing onevenwichtig maken. De afwijzing van de aanvraag is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, zodat er geen reden is om artikelen 3, eerste lid, van de Regeling in dit geval buiten toepassing te laten.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. B. Bastein w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1268
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. A.M.D. Dijkstra en mr. S. Piron)
Procesverloop
Met het besluit van 30 december 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie op grond van de Tijdelijke subsidieregeling evenementen 2022 (Regeling) afgewezen.
Met het besluit van 7 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 1 oktober 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] , namens de onderneming, en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
1 De onderneming heeft op 23 december 2022 een aanvraag gedaan op grond van de Regeling voor het evenement “An evening with [naam 3] ”, dat stond gepland op 29 januari 2022. Op 17 januari 2022 heeft de onderneming dit evenement geannuleerd. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat op het moment dat de onderneming het evenement annuleerde voor de geplande datum van het evenement geen evenementenverbod gold of was aangekondigd. De onderneming is het niet eens met de afwijzing.
Beoordeling
Voldoet de onderneming aan de vereisten voor recht op subsidie op grond van de Regeling?
2.1
Artikel 3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de minister aan de organisator van een evenement op aanvraag subsidie verstrekt ter dekking van de kosten voor het organiseren van een evenement dat niet plaatsvindt omdat het moet worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod.
2.2
In de uitspraak van 13 februari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:88) heeft het College overwogen dat uit het laatste gedeelte van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 (ATE) volgt dat op het moment dat een evenement wordt geannuleerd, sprake moet zijn van een evenementenverbod voor de datum waarop het evenement plaatsvindt. Anders wordt het evenement immers niet geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod. Nu artikel 3, eerste lid, van de Regeling nagenoeg gelijk is aan artikel 3, eerste lid, van de ATE, geldt die conclusie ook voor deze bepaling.
2.3
Op het moment dat de onderneming het evenement annuleerde, was er weliswaar een evenementenverbod, maar nog niet voor de datum waarop het evenement zou plaatsvinden. Dat betwist de onderneming ook niet. Het College overweegt dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling aan de minister een gebonden bevoegdheid geeft. Dat betekent dat de minister de subsidie niet mag verstrekken als niet wordt voldaan aan het vereiste in deze bepaling. De onderneming heeft het evenement niet geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod voor de datum van het geplande evenement en voldoet dus niet aan dit vereiste van dit artikel. De Regeling bevat geen hardheidsclausule.
Kan de onderneming een geslaagd beroep doen op het evenredigheidsbeginsel?
3.1
Het College begrijpt het betoog van de onderneming zo dat zij het bestreden besluit in strijd vindt met het evenredigheidsbeginsel en dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling in haar geval buiten toepassing moeten worden gelaten.
3.2
Omdat het hier gaat om een gebonden bevoegdheid van de minister, hanteert het College bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de in de uitspraak van (de grote kamer van) het College van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190, onder 8.2) neergelegde maatstaf. Het College zal dan ook hieronder beoordelen of het bestreden besluit onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.
3.3
Het bestreden besluit is alleen dan onevenwichtig als specifieke omstandigheden daar in het individuele geval van de onderneming aanleiding voor geven. De onderneming heeft geen zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd, die maken dat de minister had moeten afwijken van de Regeling. De omstandigheid dat het om een internationaal evenement gaat met buitenlandse gasten, is hiervoor onvoldoende. Het College neemt daarbij in aanmerking dat in de onder 2.2 genoemde uitspraak van het College van 13 februari 2024 ook sprake was van een groot internationaal evenement met veel buitenlandse gasten en dat het College ook in die zaak de afwijzing van de aanvraag niet onevenwichtig heeft geacht. De reden om eerder te annuleren, omdat de onderneming naar aanleiding van de persconferentie destijds de indruk had dat het evenementverbod niet geheel zou zijn opgeheven op het moment van het geplande evenement en om (een deel van de) kosten te besparen, is begrijpelijk vanuit de positie van de onderneming, maar zijn geen omstandigheden die de afwijzing onevenwichtig maken. Dat de onderneming vindt dat zij wel onder de doelgroep valt en de afwijzing niet past bij het doel van de Regeling zijn ook geen bijzondere omstandigheden die de afwijzing onevenwichtig maken. De afwijzing van de aanvraag is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, zodat er geen reden is om artikelen 3, eerste lid, van de Regeling in dit geval buiten toepassing te laten.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. B. Bastein w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1268
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. A.M.D. Dijkstra en mr. S. Piron)
Procesverloop
Met het besluit van 30 december 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie op grond van de Tijdelijke subsidieregeling evenementen 2022 (Regeling) afgewezen.
Met het besluit van 7 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 1 oktober 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] , namens de onderneming, en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
1 De onderneming heeft op 23 december 2022 een aanvraag gedaan op grond van de Regeling voor het evenement “An evening with [naam 3] ”, dat stond gepland op 29 januari 2022. Op 17 januari 2022 heeft de onderneming dit evenement geannuleerd. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat op het moment dat de onderneming het evenement annuleerde voor de geplande datum van het evenement geen evenementenverbod gold of was aangekondigd. De onderneming is het niet eens met de afwijzing.
Beoordeling
Voldoet de onderneming aan de vereisten voor recht op subsidie op grond van de Regeling?
2.1
Artikel 3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de minister aan de organisator van een evenement op aanvraag subsidie verstrekt ter dekking van de kosten voor het organiseren van een evenement dat niet plaatsvindt omdat het moet worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod.
2.2
In de uitspraak van 13 februari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:88) heeft het College overwogen dat uit het laatste gedeelte van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 (ATE) volgt dat op het moment dat een evenement wordt geannuleerd, sprake moet zijn van een evenementenverbod voor de datum waarop het evenement plaatsvindt. Anders wordt het evenement immers niet geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod. Nu artikel 3, eerste lid, van de Regeling nagenoeg gelijk is aan artikel 3, eerste lid, van de ATE, geldt die conclusie ook voor deze bepaling.
2.3
Op het moment dat de onderneming het evenement annuleerde, was er weliswaar een evenementenverbod, maar nog niet voor de datum waarop het evenement zou plaatsvinden. Dat betwist de onderneming ook niet. Het College overweegt dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling aan de minister een gebonden bevoegdheid geeft. Dat betekent dat de minister de subsidie niet mag verstrekken als niet wordt voldaan aan het vereiste in deze bepaling. De onderneming heeft het evenement niet geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod voor de datum van het geplande evenement en voldoet dus niet aan dit vereiste van dit artikel. De Regeling bevat geen hardheidsclausule.
Kan de onderneming een geslaagd beroep doen op het evenredigheidsbeginsel?
3.1
Het College begrijpt het betoog van de onderneming zo dat zij het bestreden besluit in strijd vindt met het evenredigheidsbeginsel en dat artikel 3, eerste lid, van de Regeling in haar geval buiten toepassing moeten worden gelaten.
3.2
Omdat het hier gaat om een gebonden bevoegdheid van de minister, hanteert het College bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de in de uitspraak van (de grote kamer van) het College van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190, onder 8.2) neergelegde maatstaf. Het College zal dan ook hieronder beoordelen of het bestreden besluit onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.
3.3
Het bestreden besluit is alleen dan onevenwichtig als specifieke omstandigheden daar in het individuele geval van de onderneming aanleiding voor geven. De onderneming heeft geen zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd, die maken dat de minister had moeten afwijken van de Regeling. De omstandigheid dat het om een internationaal evenement gaat met buitenlandse gasten, is hiervoor onvoldoende. Het College neemt daarbij in aanmerking dat in de onder 2.2 genoemde uitspraak van het College van 13 februari 2024 ook sprake was van een groot internationaal evenement met veel buitenlandse gasten en dat het College ook in die zaak de afwijzing van de aanvraag niet onevenwichtig heeft geacht. De reden om eerder te annuleren, omdat de onderneming naar aanleiding van de persconferentie destijds de indruk had dat het evenementverbod niet geheel zou zijn opgeheven op het moment van het geplande evenement en om (een deel van de) kosten te besparen, is begrijpelijk vanuit de positie van de onderneming, maar zijn geen omstandigheden die de afwijzing onevenwichtig maken. Dat de onderneming vindt dat zij wel onder de doelgroep valt en de afwijzing niet past bij het doel van de Regeling zijn ook geen bijzondere omstandigheden die de afwijzing onevenwichtig maken. De afwijzing van de aanvraag is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, zodat er geen reden is om artikelen 3, eerste lid, van de Regeling in dit geval buiten toepassing te laten.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. B. Bastein w.g. P.M. Beishuizen