Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-10-15
ECLI:NL:CBB:2024:717
Bestuursrecht
Verzet
4,340 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1571
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. P. van Veen en C. Zieleman)
Procesverloop
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 27 juni 2023.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 augustus 2024. De ondernemer en de gemachtigden van de minister hebben aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft op 2 mei 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van de minister van 8 februari 2023 tot ambtshalve vaststelling van de eerder aan hem verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) op nihil. Met het besluit van 27 juni 2023 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
2 In beroep heeft de ondernemer onder meer aangevoerd dat hij door de persoonlijke omstandigheden waarin hij verkeerde te laat was met het aanleveren van de gegevens voor de vaststelling en dat hij e-mailberichten van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over het indienen van een bezwaarschrift over het hoofd heeft gezien. De ondernemer heeft gewezen op de financieel moeilijke situatie waarin hij terecht was gekomen. Ook heeft hij van januari 2022 tot oktober 2022 last gehad van een depressie, waarvoor hij ongeveer twee jaar onder behandeling is geweest. De ondernemer heeft verder naar voren gebracht dat zijn accountant in januari 2022 met pensioen was gegaan en geen gegevens meer had aangeleverd. Hierdoor waren de omzetcijfers voor de TVL niet tijdig beschikbaar. Uit de uiteindelijke aangifte over het eerste kwartaal van 2022 blijkt volgens de ondernemer dat hij wel degelijk recht op TVL zou hebben, zoals ook voor de overige kwartalen het geval was. De ondernemer heeft ten slotte aangegeven dat hij alsnog bezwaar heeft gemaakt nadat hij door een medewerker van RVO was gebeld omdat hij de subsidie nog niet had terugbetaald.
3 Vaststaat dat het besluit van 8 februari 2023 op die dag op de juiste wijze, digitaal, bekend is gemaakt. De laatste dag waarop tijdig een bezwaarschrift kon worden ingediend was dus 2 maart 2023. Het is niet in geschil dat het op 2 mei 2023 ingediende bezwaarschrift daarom te laat is.
4 Voor het kader voor de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding aan de ondernemer kan worden toegerekend. Die vraag beantwoordt het College bevestigend. Zoals op de zitting door hem is bevestigd, heeft de ondernemer het besluit van 8 februari 2023 in de digitale omgeving en de notificatie e-mail wel ontvangen. Uit de door de ondernemer geschetste omstandigheden komt weliswaar in algemene zin naar voren dat hij een moeilijke periode heeft gehad, maar daaruit blijkt niet duidelijk hoe de situatie was ten tijde van het besluit van 8 februari 2023 en de daarop volgende periode waarin bezwaar kon worden gemaakt. Het is niet gebleken dat de omstandigheden toen zodanig waren dat hij niet tijdig kennis kon nemen van dat besluit. De ondernemer heeft daarover ook geen specifieke informatie kunnen geven.
5 Het beroep is daarom ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. M. Schoneveld en mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van S.C. Lenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S.C. Lenders
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1571
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. P. van Veen en C. Zieleman)
Procesverloop
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 27 juni 2023.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 augustus 2024. De ondernemer en de gemachtigden van de minister hebben aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft op 2 mei 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van de minister van 8 februari 2023 tot ambtshalve vaststelling van de eerder aan hem verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) op nihil. Met het besluit van 27 juni 2023 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
2 In beroep heeft de ondernemer onder meer aangevoerd dat hij door de persoonlijke omstandigheden waarin hij verkeerde te laat was met het aanleveren van de gegevens voor de vaststelling en dat hij e-mailberichten van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over het indienen van een bezwaarschrift over het hoofd heeft gezien. De ondernemer heeft gewezen op de financieel moeilijke situatie waarin hij terecht was gekomen. Ook heeft hij van januari 2022 tot oktober 2022 last gehad van een depressie, waarvoor hij ongeveer twee jaar onder behandeling is geweest. De ondernemer heeft verder naar voren gebracht dat zijn accountant in januari 2022 met pensioen was gegaan en geen gegevens meer had aangeleverd. Hierdoor waren de omzetcijfers voor de TVL niet tijdig beschikbaar. Uit de uiteindelijke aangifte over het eerste kwartaal van 2022 blijkt volgens de ondernemer dat hij wel degelijk recht op TVL zou hebben, zoals ook voor de overige kwartalen het geval was. De ondernemer heeft ten slotte aangegeven dat hij alsnog bezwaar heeft gemaakt nadat hij door een medewerker van RVO was gebeld omdat hij de subsidie nog niet had terugbetaald.
3 Vaststaat dat het besluit van 8 februari 2023 op die dag op de juiste wijze, digitaal, bekend is gemaakt. De laatste dag waarop tijdig een bezwaarschrift kon worden ingediend was dus 2 maart 2023. Het is niet in geschil dat het op 2 mei 2023 ingediende bezwaarschrift daarom te laat is.
4 Voor het kader voor de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding aan de ondernemer kan worden toegerekend. Die vraag beantwoordt het College bevestigend. Zoals op de zitting door hem is bevestigd, heeft de ondernemer het besluit van 8 februari 2023 in de digitale omgeving en de notificatie e-mail wel ontvangen. Uit de door de ondernemer geschetste omstandigheden komt weliswaar in algemene zin naar voren dat hij een moeilijke periode heeft gehad, maar daaruit blijkt niet duidelijk hoe de situatie was ten tijde van het besluit van 8 februari 2023 en de daarop volgende periode waarin bezwaar kon worden gemaakt. Het is niet gebleken dat de omstandigheden toen zodanig waren dat hij niet tijdig kennis kon nemen van dat besluit. De ondernemer heeft daarover ook geen specifieke informatie kunnen geven.
5 Het beroep is daarom ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. M. Schoneveld en mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van S.C. Lenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S.C. Lenders
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1571
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. P. van Veen en C. Zieleman)
Procesverloop
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 27 juni 2023.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 augustus 2024. De ondernemer en de gemachtigden van de minister hebben aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft op 2 mei 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van de minister van 8 februari 2023 tot ambtshalve vaststelling van de eerder aan hem verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) op nihil. Met het besluit van 27 juni 2023 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
2 In beroep heeft de ondernemer onder meer aangevoerd dat hij door de persoonlijke omstandigheden waarin hij verkeerde te laat was met het aanleveren van de gegevens voor de vaststelling en dat hij e-mailberichten van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over het indienen van een bezwaarschrift over het hoofd heeft gezien. De ondernemer heeft gewezen op de financieel moeilijke situatie waarin hij terecht was gekomen. Ook heeft hij van januari 2022 tot oktober 2022 last gehad van een depressie, waarvoor hij ongeveer twee jaar onder behandeling is geweest. De ondernemer heeft verder naar voren gebracht dat zijn accountant in januari 2022 met pensioen was gegaan en geen gegevens meer had aangeleverd. Hierdoor waren de omzetcijfers voor de TVL niet tijdig beschikbaar. Uit de uiteindelijke aangifte over het eerste kwartaal van 2022 blijkt volgens de ondernemer dat hij wel degelijk recht op TVL zou hebben, zoals ook voor de overige kwartalen het geval was. De ondernemer heeft ten slotte aangegeven dat hij alsnog bezwaar heeft gemaakt nadat hij door een medewerker van RVO was gebeld omdat hij de subsidie nog niet had terugbetaald.
3 Vaststaat dat het besluit van 8 februari 2023 op die dag op de juiste wijze, digitaal, bekend is gemaakt. De laatste dag waarop tijdig een bezwaarschrift kon worden ingediend was dus 2 maart 2023. Het is niet in geschil dat het op 2 mei 2023 ingediende bezwaarschrift daarom te laat is.
4 Voor het kader voor de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding aan de ondernemer kan worden toegerekend. Die vraag beantwoordt het College bevestigend. Zoals op de zitting door hem is bevestigd, heeft de ondernemer het besluit van 8 februari 2023 in de digitale omgeving en de notificatie e-mail wel ontvangen. Uit de door de ondernemer geschetste omstandigheden komt weliswaar in algemene zin naar voren dat hij een moeilijke periode heeft gehad, maar daaruit blijkt niet duidelijk hoe de situatie was ten tijde van het besluit van 8 februari 2023 en de daarop volgende periode waarin bezwaar kon worden gemaakt. Het is niet gebleken dat de omstandigheden toen zodanig waren dat hij niet tijdig kennis kon nemen van dat besluit. De ondernemer heeft daarover ook geen specifieke informatie kunnen geven.
5 Het beroep is daarom ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. M. Schoneveld en mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van S.C. Lenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S.C. Lenders
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1571
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. P. van Veen en C. Zieleman)
Procesverloop
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 27 juni 2023.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 augustus 2024. De ondernemer en de gemachtigden van de minister hebben aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft op 2 mei 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van de minister van 8 februari 2023 tot ambtshalve vaststelling van de eerder aan hem verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) op nihil. Met het besluit van 27 juni 2023 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
2 In beroep heeft de ondernemer onder meer aangevoerd dat hij door de persoonlijke omstandigheden waarin hij verkeerde te laat was met het aanleveren van de gegevens voor de vaststelling en dat hij e-mailberichten van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over het indienen van een bezwaarschrift over het hoofd heeft gezien. De ondernemer heeft gewezen op de financieel moeilijke situatie waarin hij terecht was gekomen. Ook heeft hij van januari 2022 tot oktober 2022 last gehad van een depressie, waarvoor hij ongeveer twee jaar onder behandeling is geweest. De ondernemer heeft verder naar voren gebracht dat zijn accountant in januari 2022 met pensioen was gegaan en geen gegevens meer had aangeleverd. Hierdoor waren de omzetcijfers voor de TVL niet tijdig beschikbaar. Uit de uiteindelijke aangifte over het eerste kwartaal van 2022 blijkt volgens de ondernemer dat hij wel degelijk recht op TVL zou hebben, zoals ook voor de overige kwartalen het geval was. De ondernemer heeft ten slotte aangegeven dat hij alsnog bezwaar heeft gemaakt nadat hij door een medewerker van RVO was gebeld omdat hij de subsidie nog niet had terugbetaald.
3 Vaststaat dat het besluit van 8 februari 2023 op die dag op de juiste wijze, digitaal, bekend is gemaakt. De laatste dag waarop tijdig een bezwaarschrift kon worden ingediend was dus 2 maart 2023. Het is niet in geschil dat het op 2 mei 2023 ingediende bezwaarschrift daarom te laat is.
4 Voor het kader voor de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding aan de ondernemer kan worden toegerekend. Die vraag beantwoordt het College bevestigend. Zoals op de zitting door hem is bevestigd, heeft de ondernemer het besluit van 8 februari 2023 in de digitale omgeving en de notificatie e-mail wel ontvangen. Uit de door de ondernemer geschetste omstandigheden komt weliswaar in algemene zin naar voren dat hij een moeilijke periode heeft gehad, maar daaruit blijkt niet duidelijk hoe de situatie was ten tijde van het besluit van 8 februari 2023 en de daarop volgende periode waarin bezwaar kon worden gemaakt. Het is niet gebleken dat de omstandigheden toen zodanig waren dat hij niet tijdig kennis kon nemen van dat besluit. De ondernemer heeft daarover ook geen specifieke informatie kunnen geven.
5 Het beroep is daarom ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. M. Schoneveld en mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van S.C. Lenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S.C. Lenders