Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-10-15
ECLI:NL:CBB:2024:708
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,832 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1945
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (landbouwer)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. J. van Horsen en mr. Y.R. Sanders)
Procesverloop
Met het besluit van 12 december 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2022 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) vastgesteld.
Met het besluit van 10 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 juni 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen de landbouwer en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
1.1
De landbouwer heeft op 15 mei 2022 de Gecombineerde opgave 2022 ingediend. Daarin heeft hij onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2022. Daarbij heeft hij een totale oppervlakte opgegeven van 36,35 ha.
1.2
Met het besluit van 12 december 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2022 vastgesteld op € 12.519,32 en hiervoor een oppervlakte van 36,35 ha in aanmerking genomen.
1.3
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de landbouwer ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de minister uiteengezet dat hij terecht is uitgegaan van de, voor uitbetaling, door de landbouwer (numeriek) aangevraagde oppervlakte van 36,35 ha. Omdat daarmee de volledig aangevraagde oppervlakte aan de landbouwer is uitbetaald, kan hij geen hogere uitbetaling ontvangen.
2 De landbouwer voert daartegen – samengevat weergegeven – het volgende aan. De minister gaat uit van een onjuist opgegeven oppervlakte, omdat dit oppervlaktes zijn per perceel zoals de minister die blijkbaar heeft vastgelegd. Zowel in de Gecombineerde opgave
als in de webapplicatie “mijn percelen” is duidelijk dat de door de landbouwer opgegeven oppervlakte groter is voor bijna alle percelen. Volgens de landbouwer manipuleert de minister zijn gegevens door softwarematig de onjuiste kolom uit “mijn percelen” over te nemen in de Gecombineerde opgave. De opgegeven oppervlakte per perceel in de Gecombineerde opgave wordt automatisch overgenomen uit webapplicatie “mijn percelen”, die de landbouwer eerst per perceel moet hebben doorlopen alvorens hij de Gecombineerde opgave voor het
overige deel kan invullen. De landbouwer kan zelf niet handmatig de oppervlaktes in de Gecombineerde opgave bijstellen, juist omdat deze uit “mijn percelen” komen. Op grond van het voorgaande dient de door de landbouwer opgegeven oppervlakte te worden gecorrigeerd naar de werkelijk door hem opgegeven oppervlakte per perceel bijgevolg waarvan ook de uitbetaling van basis- en vergroeningsbetaling dient te worden gecorrigeerd. Verder komt de landbouwer op tegen de wijze waarop de minister de grenzen van de percelen heeft vastgelegd en de oppervlakten ervan heeft vastgesteld in de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT).
3 De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Volgens de minister is hij terecht uitgegaan van de door de landbouwer in de Gecombineerde opgave opgegeven numerieke oppervlakte. Hiertoe heeft hij uiteengezet dat hij voor het raadplegen, opgeven en bijwerken van perceelsgegevens en de intekening van percelen, de webapplicatie “mijn percelen” heeft ontwikkeld. Een landbouwer is zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van deze gegevens. De intekening van de percelen in “mijn percelen” vormt de basis voor de Gecombineerde opgave wat betreft het opgeven van de percelen die hij in gebruik heeft. Voor zover een landbouwer met de intekening van een perceel afwijkt van de door de minister voorgestelde intekening en daarmee van de voorgestelde oppervlakte, wordt die afwijkende oppervlakte niet automatisch overgenomen in de Gecombineerde opgave. Dat een landbouwer een perceel anders intekent dan de door de minister voorgestelde oppervlakte, betekent niet automatisch dat hij ook uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling wil aanvragen over zijn volledige ingetekende oppervlakte. De landbouwer heeft de oppervlakte van zijn percelen in “mijn percelen” gewijzigd ten opzichte van de door de minister voorgestelde oppervlakte. In de Gecombineerde opgave had de landbouwer vervolgens dus ook de ingetekende numerieke oppervlakte van zijn percelen moeten wijzigen, indien hij voor de door hem gewenste oppervlakte uitbetaling had willen aanvragen. In plaats daarvan heeft de landbouwer de door de minister voorgestelde numerieke oppervlakte overgenomen en vervolgens zijn Gecombineerde opgave ingediend. Tot slot heeft de minister erop gewezen dat de landbouwer de oppervlakte van zijn percelen wel degelijk handmatig had kunnen aanpassen.
4.1
Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU)
nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient – kort gezegd – een begunstigde van steunregelingen als hier aan de orde elk jaar een aanvraag in voor rechtstreekse betalingen, waarin de ter activering aangegeven betalingsrechten worden aangegeven.
4.2
Artikel 32, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) bepaalt dat de steun aan landbouwers wordt verleend na activering, door middel van een aangifte overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van een betalingsrecht per subsidiabele hectare in de lidstaat waar het is toegewezen. Volgens laatstgenoemd artikel geeft de landbouwer, met het oog op de activering van de betalingsrechten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aan welke percelen overeenstemmen met de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Artikel 43, negende lid, tweede alinea, van Verordening 1307/2013 bepaalt – kort gezegd – dat de vergroeningsbetaling wordt toegekend in de vorm van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare die overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is aangegeven. Verder geldt volgens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 dat, indien er een verschil bestaat tussen het aangegeven aantal betalingsrechten en het aangegeven areaal, het aangegeven areaal wordt aangepast aan het kleinste getal.
4.3
Hieruit volgt dat de landbouwer niet meer uitbetaald kan krijgen dan hij zelf op basis van de opgegeven oppervlakte heeft aangevraagd. Dat de landbouwer over meer
betalingsrechten beschikt verandert, zoals de minister terecht heeft uiteengezet, dus niets aan de aangevraagde oppervlakte en daarmee ook niets aan de hoogte van zijn basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2022.
4.4
Zoals het College eerder heeft overwogen is een aanvrager verantwoordelijk voor het doen van een juiste en volledige opgave (vergelijk (onder 5.4 van) de uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:338). De minister heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom hij is uitgegaan van de door de landbouwer in de Gecombineerde opgave opgegeven numerieke oppervlakte. In wat de landbouwer heeft aangevoerd bestaat geen grond voor de conclusie dat de minister daarvan niet mocht uitgaan. De stelling van de landbouwer dat hij die numerieke oppervlakte niet kon aanpassen heeft de minister gemotiveerd weerlegd, zodat het College aan die stelling voorbij gaat.
4.5
Dat wat de landbouwer verder aanvoert over de BGT behoeft geen bespreking.
5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. J.M. Baars
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1945
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (landbouwer)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. J. van Horsen en mr. Y.R. Sanders)
Procesverloop
Met het besluit van 12 december 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2022 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) vastgesteld.
Met het besluit van 10 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 juni 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen de landbouwer en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
1.1
De landbouwer heeft op 15 mei 2022 de Gecombineerde opgave 2022 ingediend. Daarin heeft hij onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2022. Daarbij heeft hij een totale oppervlakte opgegeven van 36,35 ha.
1.2
Met het besluit van 12 december 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2022 vastgesteld op € 12.519,32 en hiervoor een oppervlakte van 36,35 ha in aanmerking genomen.
1.3
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de landbouwer ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de minister uiteengezet dat hij terecht is uitgegaan van de, voor uitbetaling, door de landbouwer (numeriek) aangevraagde oppervlakte van 36,35 ha. Omdat daarmee de volledig aangevraagde oppervlakte aan de landbouwer is uitbetaald, kan hij geen hogere uitbetaling ontvangen.
2 De landbouwer voert daartegen – samengevat weergegeven – het volgende aan. De minister gaat uit van een onjuist opgegeven oppervlakte, omdat dit oppervlaktes zijn per perceel zoals de minister die blijkbaar heeft vastgelegd. Zowel in de Gecombineerde opgave
als in de webapplicatie “mijn percelen” is duidelijk dat de door de landbouwer opgegeven oppervlakte groter is voor bijna alle percelen. Volgens de landbouwer manipuleert de minister zijn gegevens door softwarematig de onjuiste kolom uit “mijn percelen” over te nemen in de Gecombineerde opgave. De opgegeven oppervlakte per perceel in de Gecombineerde opgave wordt automatisch overgenomen uit webapplicatie “mijn percelen”, die de landbouwer eerst per perceel moet hebben doorlopen alvorens hij de Gecombineerde opgave voor het
overige deel kan invullen. De landbouwer kan zelf niet handmatig de oppervlaktes in de Gecombineerde opgave bijstellen, juist omdat deze uit “mijn percelen” komen. Op grond van het voorgaande dient de door de landbouwer opgegeven oppervlakte te worden gecorrigeerd naar de werkelijk door hem opgegeven oppervlakte per perceel bijgevolg waarvan ook de uitbetaling van basis- en vergroeningsbetaling dient te worden gecorrigeerd. Verder komt de landbouwer op tegen de wijze waarop de minister de grenzen van de percelen heeft vastgelegd en de oppervlakten ervan heeft vastgesteld in de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT).
3 De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Volgens de minister is hij terecht uitgegaan van de door de landbouwer in de Gecombineerde opgave opgegeven numerieke oppervlakte. Hiertoe heeft hij uiteengezet dat hij voor het raadplegen, opgeven en bijwerken van perceelsgegevens en de intekening van percelen, de webapplicatie “mijn percelen” heeft ontwikkeld. Een landbouwer is zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van deze gegevens. De intekening van de percelen in “mijn percelen” vormt de basis voor de Gecombineerde opgave wat betreft het opgeven van de percelen die hij in gebruik heeft. Voor zover een landbouwer met de intekening van een perceel afwijkt van de door de minister voorgestelde intekening en daarmee van de voorgestelde oppervlakte, wordt die afwijkende oppervlakte niet automatisch overgenomen in de Gecombineerde opgave. Dat een landbouwer een perceel anders intekent dan de door de minister voorgestelde oppervlakte, betekent niet automatisch dat hij ook uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling wil aanvragen over zijn volledige ingetekende oppervlakte. De landbouwer heeft de oppervlakte van zijn percelen in “mijn percelen” gewijzigd ten opzichte van de door de minister voorgestelde oppervlakte. In de Gecombineerde opgave had de landbouwer vervolgens dus ook de ingetekende numerieke oppervlakte van zijn percelen moeten wijzigen, indien hij voor de door hem gewenste oppervlakte uitbetaling had willen aanvragen. In plaats daarvan heeft de landbouwer de door de minister voorgestelde numerieke oppervlakte overgenomen en vervolgens zijn Gecombineerde opgave ingediend. Tot slot heeft de minister erop gewezen dat de landbouwer de oppervlakte van zijn percelen wel degelijk handmatig had kunnen aanpassen.
4.1
Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU)
nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient – kort gezegd – een begunstigde van steunregelingen als hier aan de orde elk jaar een aanvraag in voor rechtstreekse betalingen, waarin de ter activering aangegeven betalingsrechten worden aangegeven.
4.2
Artikel 32, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) bepaalt dat de steun aan landbouwers wordt verleend na activering, door middel van een aangifte overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van een betalingsrecht per subsidiabele hectare in de lidstaat waar het is toegewezen. Volgens laatstgenoemd artikel geeft de landbouwer, met het oog op de activering van de betalingsrechten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aan welke percelen overeenstemmen met de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Artikel 43, negende lid, tweede alinea, van Verordening 1307/2013 bepaalt – kort gezegd – dat de vergroeningsbetaling wordt toegekend in de vorm van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare die overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is aangegeven. Verder geldt volgens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 dat, indien er een verschil bestaat tussen het aangegeven aantal betalingsrechten en het aangegeven areaal, het aangegeven areaal wordt aangepast aan het kleinste getal.
4.3
Hieruit volgt dat de landbouwer niet meer uitbetaald kan krijgen dan hij zelf op basis van de opgegeven oppervlakte heeft aangevraagd. Dat de landbouwer over meer
betalingsrechten beschikt verandert, zoals de minister terecht heeft uiteengezet, dus niets aan de aangevraagde oppervlakte en daarmee ook niets aan de hoogte van zijn basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2022.
4.4
Zoals het College eerder heeft overwogen is een aanvrager verantwoordelijk voor het doen van een juiste en volledige opgave (vergelijk (onder 5.4 van) de uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:338). De minister heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom hij is uitgegaan van de door de landbouwer in de Gecombineerde opgave opgegeven numerieke oppervlakte. In wat de landbouwer heeft aangevoerd bestaat geen grond voor de conclusie dat de minister daarvan niet mocht uitgaan. De stelling van de landbouwer dat hij die numerieke oppervlakte niet kon aanpassen heeft de minister gemotiveerd weerlegd, zodat het College aan die stelling voorbij gaat.
4.5
Dat wat de landbouwer verder aanvoert over de BGT behoeft geen bespreking.
5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. J.M. Baars
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1945
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (landbouwer)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. J. van Horsen en mr. Y.R. Sanders)
Procesverloop
Met het besluit van 12 december 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2022 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) vastgesteld.
Met het besluit van 10 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 juni 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen de landbouwer en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
1.1
De landbouwer heeft op 15 mei 2022 de Gecombineerde opgave 2022 ingediend. Daarin heeft hij onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2022. Daarbij heeft hij een totale oppervlakte opgegeven van 36,35 ha.
1.2
Met het besluit van 12 december 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2022 vastgesteld op € 12.519,32 en hiervoor een oppervlakte van 36,35 ha in aanmerking genomen.
1.3
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de landbouwer ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de minister uiteengezet dat hij terecht is uitgegaan van de, voor uitbetaling, door de landbouwer (numeriek) aangevraagde oppervlakte van 36,35 ha. Omdat daarmee de volledig aangevraagde oppervlakte aan de landbouwer is uitbetaald, kan hij geen hogere uitbetaling ontvangen.
2 De landbouwer voert daartegen – samengevat weergegeven – het volgende aan. De minister gaat uit van een onjuist opgegeven oppervlakte, omdat dit oppervlaktes zijn per perceel zoals de minister die blijkbaar heeft vastgelegd. Zowel in de Gecombineerde opgave
als in de webapplicatie “mijn percelen” is duidelijk dat de door de landbouwer opgegeven oppervlakte groter is voor bijna alle percelen. Volgens de landbouwer manipuleert de minister zijn gegevens door softwarematig de onjuiste kolom uit “mijn percelen” over te nemen in de Gecombineerde opgave. De opgegeven oppervlakte per perceel in de Gecombineerde opgave wordt automatisch overgenomen uit webapplicatie “mijn percelen”, die de landbouwer eerst per perceel moet hebben doorlopen alvorens hij de Gecombineerde opgave voor het
overige deel kan invullen. De landbouwer kan zelf niet handmatig de oppervlaktes in de Gecombineerde opgave bijstellen, juist omdat deze uit “mijn percelen” komen. Op grond van het voorgaande dient de door de landbouwer opgegeven oppervlakte te worden gecorrigeerd naar de werkelijk door hem opgegeven oppervlakte per perceel bijgevolg waarvan ook de uitbetaling van basis- en vergroeningsbetaling dient te worden gecorrigeerd. Verder komt de landbouwer op tegen de wijze waarop de minister de grenzen van de percelen heeft vastgelegd en de oppervlakten ervan heeft vastgesteld in de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT).
3 De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Volgens de minister is hij terecht uitgegaan van de door de landbouwer in de Gecombineerde opgave opgegeven numerieke oppervlakte. Hiertoe heeft hij uiteengezet dat hij voor het raadplegen, opgeven en bijwerken van perceelsgegevens en de intekening van percelen, de webapplicatie “mijn percelen” heeft ontwikkeld. Een landbouwer is zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van deze gegevens. De intekening van de percelen in “mijn percelen” vormt de basis voor de Gecombineerde opgave wat betreft het opgeven van de percelen die hij in gebruik heeft. Voor zover een landbouwer met de intekening van een perceel afwijkt van de door de minister voorgestelde intekening en daarmee van de voorgestelde oppervlakte, wordt die afwijkende oppervlakte niet automatisch overgenomen in de Gecombineerde opgave. Dat een landbouwer een perceel anders intekent dan de door de minister voorgestelde oppervlakte, betekent niet automatisch dat hij ook uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling wil aanvragen over zijn volledige ingetekende oppervlakte. De landbouwer heeft de oppervlakte van zijn percelen in “mijn percelen” gewijzigd ten opzichte van de door de minister voorgestelde oppervlakte. In de Gecombineerde opgave had de landbouwer vervolgens dus ook de ingetekende numerieke oppervlakte van zijn percelen moeten wijzigen, indien hij voor de door hem gewenste oppervlakte uitbetaling had willen aanvragen. In plaats daarvan heeft de landbouwer de door de minister voorgestelde numerieke oppervlakte overgenomen en vervolgens zijn Gecombineerde opgave ingediend. Tot slot heeft de minister erop gewezen dat de landbouwer de oppervlakte van zijn percelen wel degelijk handmatig had kunnen aanpassen.
4.1
Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU)
nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient – kort gezegd – een begunstigde van steunregelingen als hier aan de orde elk jaar een aanvraag in voor rechtstreekse betalingen, waarin de ter activering aangegeven betalingsrechten worden aangegeven.
4.2
Artikel 32, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) bepaalt dat de steun aan landbouwers wordt verleend na activering, door middel van een aangifte overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van een betalingsrecht per subsidiabele hectare in de lidstaat waar het is toegewezen. Volgens laatstgenoemd artikel geeft de landbouwer, met het oog op de activering van de betalingsrechten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aan welke percelen overeenstemmen met de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Artikel 43, negende lid, tweede alinea, van Verordening 1307/2013 bepaalt – kort gezegd – dat de vergroeningsbetaling wordt toegekend in de vorm van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare die overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is aangegeven. Verder geldt volgens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 dat, indien er een verschil bestaat tussen het aangegeven aantal betalingsrechten en het aangegeven areaal, het aangegeven areaal wordt aangepast aan het kleinste getal.
4.3
Hieruit volgt dat de landbouwer niet meer uitbetaald kan krijgen dan hij zelf op basis van de opgegeven oppervlakte heeft aangevraagd. Dat de landbouwer over meer
betalingsrechten beschikt verandert, zoals de minister terecht heeft uiteengezet, dus niets aan de aangevraagde oppervlakte en daarmee ook niets aan de hoogte van zijn basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2022.
4.4
Zoals het College eerder heeft overwogen is een aanvrager verantwoordelijk voor het doen van een juiste en volledige opgave (vergelijk (onder 5.4 van) de uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:338). De minister heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom hij is uitgegaan van de door de landbouwer in de Gecombineerde opgave opgegeven numerieke oppervlakte. In wat de landbouwer heeft aangevoerd bestaat geen grond voor de conclusie dat de minister daarvan niet mocht uitgaan. De stelling van de landbouwer dat hij die numerieke oppervlakte niet kon aanpassen heeft de minister gemotiveerd weerlegd, zodat het College aan die stelling voorbij gaat.
4.5
Dat wat de landbouwer verder aanvoert over de BGT behoeft geen bespreking.
5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. J.M. Baars
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1945
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (landbouwer)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. J. van Horsen en mr. Y.R. Sanders)
Procesverloop
Met het besluit van 12 december 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2022 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) vastgesteld.
Met het besluit van 10 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 juni 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen de landbouwer en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
1.1
De landbouwer heeft op 15 mei 2022 de Gecombineerde opgave 2022 ingediend. Daarin heeft hij onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2022. Daarbij heeft hij een totale oppervlakte opgegeven van 36,35 ha.
1.2
Met het besluit van 12 december 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2022 vastgesteld op € 12.519,32 en hiervoor een oppervlakte van 36,35 ha in aanmerking genomen.
1.3
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de landbouwer ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de minister uiteengezet dat hij terecht is uitgegaan van de, voor uitbetaling, door de landbouwer (numeriek) aangevraagde oppervlakte van 36,35 ha. Omdat daarmee de volledig aangevraagde oppervlakte aan de landbouwer is uitbetaald, kan hij geen hogere uitbetaling ontvangen.
2 De landbouwer voert daartegen – samengevat weergegeven – het volgende aan. De minister gaat uit van een onjuist opgegeven oppervlakte, omdat dit oppervlaktes zijn per perceel zoals de minister die blijkbaar heeft vastgelegd. Zowel in de Gecombineerde opgave
als in de webapplicatie “mijn percelen” is duidelijk dat de door de landbouwer opgegeven oppervlakte groter is voor bijna alle percelen. Volgens de landbouwer manipuleert de minister zijn gegevens door softwarematig de onjuiste kolom uit “mijn percelen” over te nemen in de Gecombineerde opgave. De opgegeven oppervlakte per perceel in de Gecombineerde opgave wordt automatisch overgenomen uit webapplicatie “mijn percelen”, die de landbouwer eerst per perceel moet hebben doorlopen alvorens hij de Gecombineerde opgave voor het
overige deel kan invullen. De landbouwer kan zelf niet handmatig de oppervlaktes in de Gecombineerde opgave bijstellen, juist omdat deze uit “mijn percelen” komen. Op grond van het voorgaande dient de door de landbouwer opgegeven oppervlakte te worden gecorrigeerd naar de werkelijk door hem opgegeven oppervlakte per perceel bijgevolg waarvan ook de uitbetaling van basis- en vergroeningsbetaling dient te worden gecorrigeerd. Verder komt de landbouwer op tegen de wijze waarop de minister de grenzen van de percelen heeft vastgelegd en de oppervlakten ervan heeft vastgesteld in de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT).
3 De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Volgens de minister is hij terecht uitgegaan van de door de landbouwer in de Gecombineerde opgave opgegeven numerieke oppervlakte. Hiertoe heeft hij uiteengezet dat hij voor het raadplegen, opgeven en bijwerken van perceelsgegevens en de intekening van percelen, de webapplicatie “mijn percelen” heeft ontwikkeld. Een landbouwer is zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van deze gegevens. De intekening van de percelen in “mijn percelen” vormt de basis voor de Gecombineerde opgave wat betreft het opgeven van de percelen die hij in gebruik heeft. Voor zover een landbouwer met de intekening van een perceel afwijkt van de door de minister voorgestelde intekening en daarmee van de voorgestelde oppervlakte, wordt die afwijkende oppervlakte niet automatisch overgenomen in de Gecombineerde opgave. Dat een landbouwer een perceel anders intekent dan de door de minister voorgestelde oppervlakte, betekent niet automatisch dat hij ook uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling wil aanvragen over zijn volledige ingetekende oppervlakte. De landbouwer heeft de oppervlakte van zijn percelen in “mijn percelen” gewijzigd ten opzichte van de door de minister voorgestelde oppervlakte. In de Gecombineerde opgave had de landbouwer vervolgens dus ook de ingetekende numerieke oppervlakte van zijn percelen moeten wijzigen, indien hij voor de door hem gewenste oppervlakte uitbetaling had willen aanvragen. In plaats daarvan heeft de landbouwer de door de minister voorgestelde numerieke oppervlakte overgenomen en vervolgens zijn Gecombineerde opgave ingediend. Tot slot heeft de minister erop gewezen dat de landbouwer de oppervlakte van zijn percelen wel degelijk handmatig had kunnen aanpassen.
4.1
Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU)
nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient – kort gezegd – een begunstigde van steunregelingen als hier aan de orde elk jaar een aanvraag in voor rechtstreekse betalingen, waarin de ter activering aangegeven betalingsrechten worden aangegeven.
4.2
Artikel 32, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) bepaalt dat de steun aan landbouwers wordt verleend na activering, door middel van een aangifte overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van een betalingsrecht per subsidiabele hectare in de lidstaat waar het is toegewezen. Volgens laatstgenoemd artikel geeft de landbouwer, met het oog op de activering van de betalingsrechten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aan welke percelen overeenstemmen met de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Artikel 43, negende lid, tweede alinea, van Verordening 1307/2013 bepaalt – kort gezegd – dat de vergroeningsbetaling wordt toegekend in de vorm van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare die overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is aangegeven. Verder geldt volgens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 dat, indien er een verschil bestaat tussen het aangegeven aantal betalingsrechten en het aangegeven areaal, het aangegeven areaal wordt aangepast aan het kleinste getal.
4.3
Hieruit volgt dat de landbouwer niet meer uitbetaald kan krijgen dan hij zelf op basis van de opgegeven oppervlakte heeft aangevraagd. Dat de landbouwer over meer
betalingsrechten beschikt verandert, zoals de minister terecht heeft uiteengezet, dus niets aan de aangevraagde oppervlakte en daarmee ook niets aan de hoogte van zijn basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2022.
4.4
Zoals het College eerder heeft overwogen is een aanvrager verantwoordelijk voor het doen van een juiste en volledige opgave (vergelijk (onder 5.4 van) de uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:338). De minister heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom hij is uitgegaan van de door de landbouwer in de Gecombineerde opgave opgegeven numerieke oppervlakte. In wat de landbouwer heeft aangevoerd bestaat geen grond voor de conclusie dat de minister daarvan niet mocht uitgaan. De stelling van de landbouwer dat hij die numerieke oppervlakte niet kon aanpassen heeft de minister gemotiveerd weerlegd, zodat het College aan die stelling voorbij gaat.
4.5
Dat wat de landbouwer verder aanvoert over de BGT behoeft geen bespreking.
5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. J.M. Baars