Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-10-15
ECLI:NL:CBB:2024:705
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,504 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/676
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
VOF [naam] , te [plaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. F.K. van Wijk)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 9 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen.
Met het besluit van 16 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidieaanvraag van de onderneming afgewezen, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat zij ten minste 30% omzetverlies heeft geleden.
3.1
De onderneming voert aan dat zij op grond van de uitspraak van het College van 31 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:845) moet worden aangemerkt als startende onderneming. De minister moet daarom voor haar een afwijkende referentieperiode hanteren. Omdat de juridische belemmeringen om te starten met de bedrijfsactiviteiten pas opgeheven zijn in het derde kwartaal (Q3) van 2020, zou het redelijk zijn om de omzetgegevens van die periode te hanteren. De minister is hier volgens de onderneming ten onrechte aan voorbij gegaan.
3.2
De onderneming voert verder aan dat in de TVL een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen ondernemers die zich vóór 31 december 2018 hebben ingeschreven in het handelsregister en ondernemers die zich na die datum hebben ingeschreven. Uit de toelichting bij de TVL blijkt niet waar dit onderscheid op gebaseerd is. Als dat onderscheid wordt gemaakt omdat een onderneming die zich vóór de peildatum heeft ingeschreven nog geen omzet heeft kunnen draaien in het eerste kwartaal van 2019, dan wijst de onderneming erop dat dit ook voor haar geldt. De onderneming is bovendien onevenredig getroffen door de besluitvorming. Zij krijgt nu geen steun op grond van de TVL, terwijl haar omzet in Q1 van 2022 aanzienlijk lager was dan in Q3 van 2020.
4.1
Het College heeft al vaker uitspraak gedaan over de vraag of zijn in 3.1 aangehaalde uitspraak van 31 augustus 2021 ook van toepassing is op latere subsidiekwartalen. Uit die uitspraken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juni 2023, ECLI:NL:CBB:2023:306) volgt dat de uitspraak van 31 augustus 2021 gaat over het begrip ‘start van de activiteiten’. Dat begrip maakte onderdeel uit van de TVL voor de eerste subsidieperiodes (tot Q1 van 2021). Voor subsidieaanvragen vanaf Q1 van 2021 geldt dat voor het bepalen van de referentieperiode alleen de datum van de inschrijving in het handelsregister van belang is. De onderneming is op 12 oktober 2018 ingeschreven in het handelsregister. Dat betekent dat de uitzondering voor startende ondernemers uit artikel 2.6.3, derde lid, van de TVL op haar niet van toepassing is en dat zij dus niet in aanmerking komt voor een andere referentieperiode dan Q1 van 2019 of Q1 van 2020.
4.2
Het beroep van de onderneming op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De enkele omstandigheid dat de onderneming niet in aanmerking komt voor een subsidie, terwijl ondernemingen die na 31 december 2018 zijn ingeschreven in het handelsregister deze wel ontvangen, betekent niet dat er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid. Dat blijkt ook uit onder meer de hiervoor genoemde uitspraken waar dit onderscheid niet tot gegrondverklaring van de beroepen heeft geleid. Dat, zoals de onderneming heeft gesteld, de afwijzing van de subsidieaanvraag financiële gevolgen heeft, maakt de afwijzing op zichzelf nog niet onevenredig.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/676
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
VOF [naam] , te [plaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. F.K. van Wijk)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 9 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen.
Met het besluit van 16 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidieaanvraag van de onderneming afgewezen, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat zij ten minste 30% omzetverlies heeft geleden.
3.1
De onderneming voert aan dat zij op grond van de uitspraak van het College van 31 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:845) moet worden aangemerkt als startende onderneming. De minister moet daarom voor haar een afwijkende referentieperiode hanteren. Omdat de juridische belemmeringen om te starten met de bedrijfsactiviteiten pas opgeheven zijn in het derde kwartaal (Q3) van 2020, zou het redelijk zijn om de omzetgegevens van die periode te hanteren. De minister is hier volgens de onderneming ten onrechte aan voorbij gegaan.
3.2
De onderneming voert verder aan dat in de TVL een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen ondernemers die zich vóór 31 december 2018 hebben ingeschreven in het handelsregister en ondernemers die zich na die datum hebben ingeschreven. Uit de toelichting bij de TVL blijkt niet waar dit onderscheid op gebaseerd is. Als dat onderscheid wordt gemaakt omdat een onderneming die zich vóór de peildatum heeft ingeschreven nog geen omzet heeft kunnen draaien in het eerste kwartaal van 2019, dan wijst de onderneming erop dat dit ook voor haar geldt. De onderneming is bovendien onevenredig getroffen door de besluitvorming. Zij krijgt nu geen steun op grond van de TVL, terwijl haar omzet in Q1 van 2022 aanzienlijk lager was dan in Q3 van 2020.
4.1
Het College heeft al vaker uitspraak gedaan over de vraag of zijn in 3.1 aangehaalde uitspraak van 31 augustus 2021 ook van toepassing is op latere subsidiekwartalen. Uit die uitspraken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juni 2023, ECLI:NL:CBB:2023:306) volgt dat de uitspraak van 31 augustus 2021 gaat over het begrip ‘start van de activiteiten’. Dat begrip maakte onderdeel uit van de TVL voor de eerste subsidieperiodes (tot Q1 van 2021). Voor subsidieaanvragen vanaf Q1 van 2021 geldt dat voor het bepalen van de referentieperiode alleen de datum van de inschrijving in het handelsregister van belang is. De onderneming is op 12 oktober 2018 ingeschreven in het handelsregister. Dat betekent dat de uitzondering voor startende ondernemers uit artikel 2.6.3, derde lid, van de TVL op haar niet van toepassing is en dat zij dus niet in aanmerking komt voor een andere referentieperiode dan Q1 van 2019 of Q1 van 2020.
4.2
Het beroep van de onderneming op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De enkele omstandigheid dat de onderneming niet in aanmerking komt voor een subsidie, terwijl ondernemingen die na 31 december 2018 zijn ingeschreven in het handelsregister deze wel ontvangen, betekent niet dat er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid. Dat blijkt ook uit onder meer de hiervoor genoemde uitspraken waar dit onderscheid niet tot gegrondverklaring van de beroepen heeft geleid. Dat, zoals de onderneming heeft gesteld, de afwijzing van de subsidieaanvraag financiële gevolgen heeft, maakt de afwijzing op zichzelf nog niet onevenredig.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/676
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
VOF [naam] , te [plaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. F.K. van Wijk)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 9 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen.
Met het besluit van 16 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidieaanvraag van de onderneming afgewezen, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat zij ten minste 30% omzetverlies heeft geleden.
3.1
De onderneming voert aan dat zij op grond van de uitspraak van het College van 31 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:845) moet worden aangemerkt als startende onderneming. De minister moet daarom voor haar een afwijkende referentieperiode hanteren. Omdat de juridische belemmeringen om te starten met de bedrijfsactiviteiten pas opgeheven zijn in het derde kwartaal (Q3) van 2020, zou het redelijk zijn om de omzetgegevens van die periode te hanteren. De minister is hier volgens de onderneming ten onrechte aan voorbij gegaan.
3.2
De onderneming voert verder aan dat in de TVL een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen ondernemers die zich vóór 31 december 2018 hebben ingeschreven in het handelsregister en ondernemers die zich na die datum hebben ingeschreven. Uit de toelichting bij de TVL blijkt niet waar dit onderscheid op gebaseerd is. Als dat onderscheid wordt gemaakt omdat een onderneming die zich vóór de peildatum heeft ingeschreven nog geen omzet heeft kunnen draaien in het eerste kwartaal van 2019, dan wijst de onderneming erop dat dit ook voor haar geldt. De onderneming is bovendien onevenredig getroffen door de besluitvorming. Zij krijgt nu geen steun op grond van de TVL, terwijl haar omzet in Q1 van 2022 aanzienlijk lager was dan in Q3 van 2020.
4.1
Het College heeft al vaker uitspraak gedaan over de vraag of zijn in 3.1 aangehaalde uitspraak van 31 augustus 2021 ook van toepassing is op latere subsidiekwartalen. Uit die uitspraken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juni 2023, ECLI:NL:CBB:2023:306) volgt dat de uitspraak van 31 augustus 2021 gaat over het begrip ‘start van de activiteiten’. Dat begrip maakte onderdeel uit van de TVL voor de eerste subsidieperiodes (tot Q1 van 2021). Voor subsidieaanvragen vanaf Q1 van 2021 geldt dat voor het bepalen van de referentieperiode alleen de datum van de inschrijving in het handelsregister van belang is. De onderneming is op 12 oktober 2018 ingeschreven in het handelsregister. Dat betekent dat de uitzondering voor startende ondernemers uit artikel 2.6.3, derde lid, van de TVL op haar niet van toepassing is en dat zij dus niet in aanmerking komt voor een andere referentieperiode dan Q1 van 2019 of Q1 van 2020.
4.2
Het beroep van de onderneming op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De enkele omstandigheid dat de onderneming niet in aanmerking komt voor een subsidie, terwijl ondernemingen die na 31 december 2018 zijn ingeschreven in het handelsregister deze wel ontvangen, betekent niet dat er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid. Dat blijkt ook uit onder meer de hiervoor genoemde uitspraken waar dit onderscheid niet tot gegrondverklaring van de beroepen heeft geleid. Dat, zoals de onderneming heeft gesteld, de afwijzing van de subsidieaanvraag financiële gevolgen heeft, maakt de afwijzing op zichzelf nog niet onevenredig.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/676
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
VOF [naam] , te [plaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. F.K. van Wijk)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 9 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen.
Met het besluit van 16 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidieaanvraag van de onderneming afgewezen, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat zij ten minste 30% omzetverlies heeft geleden.
3.1
De onderneming voert aan dat zij op grond van de uitspraak van het College van 31 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:845) moet worden aangemerkt als startende onderneming. De minister moet daarom voor haar een afwijkende referentieperiode hanteren. Omdat de juridische belemmeringen om te starten met de bedrijfsactiviteiten pas opgeheven zijn in het derde kwartaal (Q3) van 2020, zou het redelijk zijn om de omzetgegevens van die periode te hanteren. De minister is hier volgens de onderneming ten onrechte aan voorbij gegaan.
3.2
De onderneming voert verder aan dat in de TVL een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen ondernemers die zich vóór 31 december 2018 hebben ingeschreven in het handelsregister en ondernemers die zich na die datum hebben ingeschreven. Uit de toelichting bij de TVL blijkt niet waar dit onderscheid op gebaseerd is. Als dat onderscheid wordt gemaakt omdat een onderneming die zich vóór de peildatum heeft ingeschreven nog geen omzet heeft kunnen draaien in het eerste kwartaal van 2019, dan wijst de onderneming erop dat dit ook voor haar geldt. De onderneming is bovendien onevenredig getroffen door de besluitvorming. Zij krijgt nu geen steun op grond van de TVL, terwijl haar omzet in Q1 van 2022 aanzienlijk lager was dan in Q3 van 2020.
4.1
Het College heeft al vaker uitspraak gedaan over de vraag of zijn in 3.1 aangehaalde uitspraak van 31 augustus 2021 ook van toepassing is op latere subsidiekwartalen. Uit die uitspraken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juni 2023, ECLI:NL:CBB:2023:306) volgt dat de uitspraak van 31 augustus 2021 gaat over het begrip ‘start van de activiteiten’. Dat begrip maakte onderdeel uit van de TVL voor de eerste subsidieperiodes (tot Q1 van 2021). Voor subsidieaanvragen vanaf Q1 van 2021 geldt dat voor het bepalen van de referentieperiode alleen de datum van de inschrijving in het handelsregister van belang is. De onderneming is op 12 oktober 2018 ingeschreven in het handelsregister. Dat betekent dat de uitzondering voor startende ondernemers uit artikel 2.6.3, derde lid, van de TVL op haar niet van toepassing is en dat zij dus niet in aanmerking komt voor een andere referentieperiode dan Q1 van 2019 of Q1 van 2020.
4.2
Het beroep van de onderneming op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De enkele omstandigheid dat de onderneming niet in aanmerking komt voor een subsidie, terwijl ondernemingen die na 31 december 2018 zijn ingeschreven in het handelsregister deze wel ontvangen, betekent niet dat er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid. Dat blijkt ook uit onder meer de hiervoor genoemde uitspraken waar dit onderscheid niet tot gegrondverklaring van de beroepen heeft geleid. Dat, zoals de onderneming heeft gesteld, de afwijzing van de subsidieaanvraag financiële gevolgen heeft, maakt de afwijzing op zichzelf nog niet onevenredig.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.