Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-09-02
ECLI:NL:CBB:2024:696
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
4,392 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/526
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2024
Rechter: mr. H. van den Heuvel
Griffier: mr. A.M. Slierendrecht
Partijen
V.O.F. [naam 1], te [plaats] (onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en W. Dam.
Overwegingen
1. De onderneming staat sinds 1 maart 2020 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en exploiteert sinds 1 juli 2021 een pannenkoekenrestaurant. Zij heeft een subsidie aangevraagd voor Q1 van 2022 op grond van de Startersregeling, zoals opgenomen in paragraaf 2a.2 van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat alleen ondernemingen die in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2021 zijn ingeschreven in het handelsregister in aanmerking komen voor een subsidie op grond van de Startersregeling. Dat volgt uit artikel 2a.2.2., tweede lid, aanhef en onder c, van de TVL. De onderneming is op 1 maart 2020 ingeschreven in het handelsregister en voldoet daarom volgens de minister niet aan de voorwaarden voor een subsidie op grond van de Startersregeling. De onderneming vindt echter dat naar de werkelijke startdatum moet worden gekeken en doet in dit kader een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
2 Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming niet in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2021 is ingeschreven in het handelsregister. De onderneming voldoet dan ook niet aan de inschrijvingseis. Op grond van artikel 2a.2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL moet de minister de aanvraag dan afwijzen. De bevoegdheid van de minister om een subsidie op grond van de TVL te verlenen is een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat de minister geen subsidie mag verlenen als niet aan de voorwaarden voor verlening is voldaan. Het College heeft de inschrijvingseis in een eerdere uitspraak al exceptief getoetst en daarbij geen aanleiding gezien om de inschrijvingseis op grond van het evenredigheidsbeginsel onverbindend te achten.
3 Verder heeft het College in eerdere uitspraken ook al geoordeeld dat de afbakening van de doelgroep, die tot gevolg heeft dat de onderneming niet in aanmerking komt voor de Startersregeling van de TVL, niet maakt dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dit is namelijk de door de regelgever bedoelde uitkomst.
4 De uitspraak van het College van 31 augustus 2021 (ECLI:NLCBB:2021:845), waar de onderneming naar verwijst, kan in dit geval niet worden toegepast. In die uitspraak stond de vraag centraal wat als referentieperiode moet worden beschouwd. Het College heeft geoordeeld dat, vanwege de formulering van de bepaling over de toepasselijke referentieperiode, de start van die periode lag op het moment dat er geen juridische belemmeringen meer waren voor het genereren van omzet. In het geval van de onderneming gaat het echter niet om (een bepaling over) de referentieperiode die is toegepast maar om de inschrijvingseis, die geen ruimte biedt voor interpretatie.
5 Het College moet vervolgens de vraag beantwoorden of de inschrijvingseis in dit geval zo nadelig uitpakt voor de onderneming, dat de betreffende bepaling wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten. In dat kader beoordeelt het College of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van de TVL in het voorliggende geval onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor één of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. In het geval van de onderneming is niet gebleken van zodanig schrijnende omstandigheden, dat de minister om die reden in dit geval moet afzien van de toepassing van de inschrijvingseis van de Startersregeling.
6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. H. van den Heuvel w.g. A.M. Slierendrecht
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/526
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2024
Rechter: mr. H. van den Heuvel
Griffier: mr. A.M. Slierendrecht
Partijen
V.O.F. [naam 1], te [plaats] (onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en W. Dam.
Overwegingen
1. De onderneming staat sinds 1 maart 2020 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en exploiteert sinds 1 juli 2021 een pannenkoekenrestaurant. Zij heeft een subsidie aangevraagd voor Q1 van 2022 op grond van de Startersregeling, zoals opgenomen in paragraaf 2a.2 van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat alleen ondernemingen die in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2021 zijn ingeschreven in het handelsregister in aanmerking komen voor een subsidie op grond van de Startersregeling. Dat volgt uit artikel 2a.2.2., tweede lid, aanhef en onder c, van de TVL. De onderneming is op 1 maart 2020 ingeschreven in het handelsregister en voldoet daarom volgens de minister niet aan de voorwaarden voor een subsidie op grond van de Startersregeling. De onderneming vindt echter dat naar de werkelijke startdatum moet worden gekeken en doet in dit kader een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
2 Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming niet in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2021 is ingeschreven in het handelsregister. De onderneming voldoet dan ook niet aan de inschrijvingseis. Op grond van artikel 2a.2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL moet de minister de aanvraag dan afwijzen. De bevoegdheid van de minister om een subsidie op grond van de TVL te verlenen is een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat de minister geen subsidie mag verlenen als niet aan de voorwaarden voor verlening is voldaan. Het College heeft de inschrijvingseis in een eerdere uitspraak al exceptief getoetst en daarbij geen aanleiding gezien om de inschrijvingseis op grond van het evenredigheidsbeginsel onverbindend te achten.
3 Verder heeft het College in eerdere uitspraken ook al geoordeeld dat de afbakening van de doelgroep, die tot gevolg heeft dat de onderneming niet in aanmerking komt voor de Startersregeling van de TVL, niet maakt dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dit is namelijk de door de regelgever bedoelde uitkomst.
4 De uitspraak van het College van 31 augustus 2021 (ECLI:NLCBB:2021:845), waar de onderneming naar verwijst, kan in dit geval niet worden toegepast. In die uitspraak stond de vraag centraal wat als referentieperiode moet worden beschouwd. Het College heeft geoordeeld dat, vanwege de formulering van de bepaling over de toepasselijke referentieperiode, de start van die periode lag op het moment dat er geen juridische belemmeringen meer waren voor het genereren van omzet. In het geval van de onderneming gaat het echter niet om (een bepaling over) de referentieperiode die is toegepast maar om de inschrijvingseis, die geen ruimte biedt voor interpretatie.
5 Het College moet vervolgens de vraag beantwoorden of de inschrijvingseis in dit geval zo nadelig uitpakt voor de onderneming, dat de betreffende bepaling wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten. In dat kader beoordeelt het College of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van de TVL in het voorliggende geval onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor één of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. In het geval van de onderneming is niet gebleken van zodanig schrijnende omstandigheden, dat de minister om die reden in dit geval moet afzien van de toepassing van de inschrijvingseis van de Startersregeling.
6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. H. van den Heuvel w.g. A.M. Slierendrecht
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/526
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2024
Rechter: mr. H. van den Heuvel
Griffier: mr. A.M. Slierendrecht
Partijen
V.O.F. [naam 1], te [plaats] (onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en W. Dam.
Overwegingen
1. De onderneming staat sinds 1 maart 2020 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en exploiteert sinds 1 juli 2021 een pannenkoekenrestaurant. Zij heeft een subsidie aangevraagd voor Q1 van 2022 op grond van de Startersregeling, zoals opgenomen in paragraaf 2a.2 van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat alleen ondernemingen die in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2021 zijn ingeschreven in het handelsregister in aanmerking komen voor een subsidie op grond van de Startersregeling. Dat volgt uit artikel 2a.2.2., tweede lid, aanhef en onder c, van de TVL. De onderneming is op 1 maart 2020 ingeschreven in het handelsregister en voldoet daarom volgens de minister niet aan de voorwaarden voor een subsidie op grond van de Startersregeling. De onderneming vindt echter dat naar de werkelijke startdatum moet worden gekeken en doet in dit kader een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
2 Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming niet in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2021 is ingeschreven in het handelsregister. De onderneming voldoet dan ook niet aan de inschrijvingseis. Op grond van artikel 2a.2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL moet de minister de aanvraag dan afwijzen. De bevoegdheid van de minister om een subsidie op grond van de TVL te verlenen is een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat de minister geen subsidie mag verlenen als niet aan de voorwaarden voor verlening is voldaan. Het College heeft de inschrijvingseis in een eerdere uitspraak al exceptief getoetst en daarbij geen aanleiding gezien om de inschrijvingseis op grond van het evenredigheidsbeginsel onverbindend te achten.
3 Verder heeft het College in eerdere uitspraken ook al geoordeeld dat de afbakening van de doelgroep, die tot gevolg heeft dat de onderneming niet in aanmerking komt voor de Startersregeling van de TVL, niet maakt dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dit is namelijk de door de regelgever bedoelde uitkomst.
4 De uitspraak van het College van 31 augustus 2021 (ECLI:NLCBB:2021:845), waar de onderneming naar verwijst, kan in dit geval niet worden toegepast. In die uitspraak stond de vraag centraal wat als referentieperiode moet worden beschouwd. Het College heeft geoordeeld dat, vanwege de formulering van de bepaling over de toepasselijke referentieperiode, de start van die periode lag op het moment dat er geen juridische belemmeringen meer waren voor het genereren van omzet. In het geval van de onderneming gaat het echter niet om (een bepaling over) de referentieperiode die is toegepast maar om de inschrijvingseis, die geen ruimte biedt voor interpretatie.
5 Het College moet vervolgens de vraag beantwoorden of de inschrijvingseis in dit geval zo nadelig uitpakt voor de onderneming, dat de betreffende bepaling wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten. In dat kader beoordeelt het College of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van de TVL in het voorliggende geval onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor één of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. In het geval van de onderneming is niet gebleken van zodanig schrijnende omstandigheden, dat de minister om die reden in dit geval moet afzien van de toepassing van de inschrijvingseis van de Startersregeling.
6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. H. van den Heuvel w.g. A.M. Slierendrecht
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/526
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2024
Rechter: mr. H. van den Heuvel
Griffier: mr. A.M. Slierendrecht
Partijen
V.O.F. [naam 1], te [plaats] (onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en W. Dam.
Overwegingen
1. De onderneming staat sinds 1 maart 2020 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en exploiteert sinds 1 juli 2021 een pannenkoekenrestaurant. Zij heeft een subsidie aangevraagd voor Q1 van 2022 op grond van de Startersregeling, zoals opgenomen in paragraaf 2a.2 van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat alleen ondernemingen die in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2021 zijn ingeschreven in het handelsregister in aanmerking komen voor een subsidie op grond van de Startersregeling. Dat volgt uit artikel 2a.2.2., tweede lid, aanhef en onder c, van de TVL. De onderneming is op 1 maart 2020 ingeschreven in het handelsregister en voldoet daarom volgens de minister niet aan de voorwaarden voor een subsidie op grond van de Startersregeling. De onderneming vindt echter dat naar de werkelijke startdatum moet worden gekeken en doet in dit kader een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
2 Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming niet in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2021 is ingeschreven in het handelsregister. De onderneming voldoet dan ook niet aan de inschrijvingseis. Op grond van artikel 2a.2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL moet de minister de aanvraag dan afwijzen. De bevoegdheid van de minister om een subsidie op grond van de TVL te verlenen is een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat de minister geen subsidie mag verlenen als niet aan de voorwaarden voor verlening is voldaan. Het College heeft de inschrijvingseis in een eerdere uitspraak al exceptief getoetst en daarbij geen aanleiding gezien om de inschrijvingseis op grond van het evenredigheidsbeginsel onverbindend te achten.
3 Verder heeft het College in eerdere uitspraken ook al geoordeeld dat de afbakening van de doelgroep, die tot gevolg heeft dat de onderneming niet in aanmerking komt voor de Startersregeling van de TVL, niet maakt dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dit is namelijk de door de regelgever bedoelde uitkomst.
4 De uitspraak van het College van 31 augustus 2021 (ECLI:NLCBB:2021:845), waar de onderneming naar verwijst, kan in dit geval niet worden toegepast. In die uitspraak stond de vraag centraal wat als referentieperiode moet worden beschouwd. Het College heeft geoordeeld dat, vanwege de formulering van de bepaling over de toepasselijke referentieperiode, de start van die periode lag op het moment dat er geen juridische belemmeringen meer waren voor het genereren van omzet. In het geval van de onderneming gaat het echter niet om (een bepaling over) de referentieperiode die is toegepast maar om de inschrijvingseis, die geen ruimte biedt voor interpretatie.
5 Het College moet vervolgens de vraag beantwoorden of de inschrijvingseis in dit geval zo nadelig uitpakt voor de onderneming, dat de betreffende bepaling wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten. In dat kader beoordeelt het College of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van de TVL in het voorliggende geval onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor één of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. In het geval van de onderneming is niet gebleken van zodanig schrijnende omstandigheden, dat de minister om die reden in dit geval moet afzien van de toepassing van de inschrijvingseis van de Startersregeling.
6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. H. van den Heuvel w.g. A.M. Slierendrecht