Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-10-08
ECLI:NL:CBB:2024:680
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,920 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1373
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 oktober 2024 op het hoger beroep van:
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , het melkveebedrijf
(gemachtigde: R. Scholten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 oktober 2021, kenmerk SHE 20/2052, in het geding tussenhet melkveebedrijf
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. H.J. Kram en mr. M. Leegsma)
Procesverloop
Het melkveebedrijf heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (rechtbank) van 5 oktober 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:5248).
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De zitting was op 26 september 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen. Voor het melkveebedrijf was tevens aanwezig [naam 2]
Geschil
1 De minister heeft met het besluit van 19 februari 2020 (boetebesluit) aan het melkveebedrijf een boete opgelegd van in totaal € 16.869,60 voor in 2017 gepleegde overtredingen. Die boete bestaat uit een bedrag van € 9.702,- wegens overtreding van de op het melkveebedrijf rustende mestverwerkingsplicht als bedoeld in artikel 33a van de Meststoffenwet (Msw) en een bedrag van € 7.167,60 wegens overtreding van de op het melkveebedrijf rustende mestverwerkingsplicht in het kader van de Verantwoorde Groei Melkveehouderij (VGM) als bedoeld in artikel 21 van de Msw. Met het besluit van 19 juni 2020 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister de opgelegde boete gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep van het melkveebedrijf ongegrond verklaard.
Overwegingen
3 Op de zitting heeft de minister verklaard dat hij het boetebesluit niet langer handhaaft. Dit betekent dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het College zal het boetebesluit herroepen.
4 Het College zal de minister veroordelen in de door het melkveebedrijf in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.097,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 597,- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting in beroep, 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting in hoger beroep, met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van het melkveebedrijf tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;
herroept het boetebesluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
draagt de minister op het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 714,- (€ 354,- + € 360,-) aan het melkveebedrijf te vergoeden.
veroordeelt de minister in de proceskosten van het melkveebedrijf tot een bedrag van € 4.097,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. F.J.J. van West de Veer
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1373
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 oktober 2024 op het hoger beroep van:
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , het melkveebedrijf
(gemachtigde: R. Scholten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 oktober 2021, kenmerk SHE 20/2052, in het geding tussenhet melkveebedrijf
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. H.J. Kram en mr. M. Leegsma)
Procesverloop
Het melkveebedrijf heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (rechtbank) van 5 oktober 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:5248).
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De zitting was op 26 september 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen. Voor het melkveebedrijf was tevens aanwezig [naam 2]
Geschil
1 De minister heeft met het besluit van 19 februari 2020 (boetebesluit) aan het melkveebedrijf een boete opgelegd van in totaal € 16.869,60 voor in 2017 gepleegde overtredingen. Die boete bestaat uit een bedrag van € 9.702,- wegens overtreding van de op het melkveebedrijf rustende mestverwerkingsplicht als bedoeld in artikel 33a van de Meststoffenwet (Msw) en een bedrag van € 7.167,60 wegens overtreding van de op het melkveebedrijf rustende mestverwerkingsplicht in het kader van de Verantwoorde Groei Melkveehouderij (VGM) als bedoeld in artikel 21 van de Msw. Met het besluit van 19 juni 2020 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister de opgelegde boete gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep van het melkveebedrijf ongegrond verklaard.
Overwegingen
3 Op de zitting heeft de minister verklaard dat hij het boetebesluit niet langer handhaaft. Dit betekent dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het College zal het boetebesluit herroepen.
4 Het College zal de minister veroordelen in de door het melkveebedrijf in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.097,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 597,- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting in beroep, 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting in hoger beroep, met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van het melkveebedrijf tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;
herroept het boetebesluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
draagt de minister op het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 714,- (€ 354,- + € 360,-) aan het melkveebedrijf te vergoeden.
veroordeelt de minister in de proceskosten van het melkveebedrijf tot een bedrag van € 4.097,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. F.J.J. van West de Veer
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1373
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 oktober 2024 op het hoger beroep van:
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , het melkveebedrijf
(gemachtigde: R. Scholten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 oktober 2021, kenmerk SHE 20/2052, in het geding tussenhet melkveebedrijf
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. H.J. Kram en mr. M. Leegsma)
Procesverloop
Het melkveebedrijf heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (rechtbank) van 5 oktober 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:5248).
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De zitting was op 26 september 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen. Voor het melkveebedrijf was tevens aanwezig [naam 2]
Geschil
1 De minister heeft met het besluit van 19 februari 2020 (boetebesluit) aan het melkveebedrijf een boete opgelegd van in totaal € 16.869,60 voor in 2017 gepleegde overtredingen. Die boete bestaat uit een bedrag van € 9.702,- wegens overtreding van de op het melkveebedrijf rustende mestverwerkingsplicht als bedoeld in artikel 33a van de Meststoffenwet (Msw) en een bedrag van € 7.167,60 wegens overtreding van de op het melkveebedrijf rustende mestverwerkingsplicht in het kader van de Verantwoorde Groei Melkveehouderij (VGM) als bedoeld in artikel 21 van de Msw. Met het besluit van 19 juni 2020 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister de opgelegde boete gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep van het melkveebedrijf ongegrond verklaard.
Overwegingen
3 Op de zitting heeft de minister verklaard dat hij het boetebesluit niet langer handhaaft. Dit betekent dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het College zal het boetebesluit herroepen.
4 Het College zal de minister veroordelen in de door het melkveebedrijf in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.097,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 597,- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting in beroep, 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting in hoger beroep, met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van het melkveebedrijf tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;
herroept het boetebesluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
draagt de minister op het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 714,- (€ 354,- + € 360,-) aan het melkveebedrijf te vergoeden.
veroordeelt de minister in de proceskosten van het melkveebedrijf tot een bedrag van € 4.097,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. F.J.J. van West de Veer
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1373
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 oktober 2024 op het hoger beroep van:
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , het melkveebedrijf
(gemachtigde: R. Scholten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 oktober 2021, kenmerk SHE 20/2052, in het geding tussenhet melkveebedrijf
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. H.J. Kram en mr. M. Leegsma)
Procesverloop
Het melkveebedrijf heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (rechtbank) van 5 oktober 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:5248).
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De zitting was op 26 september 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen. Voor het melkveebedrijf was tevens aanwezig [naam 2]
Geschil
1 De minister heeft met het besluit van 19 februari 2020 (boetebesluit) aan het melkveebedrijf een boete opgelegd van in totaal € 16.869,60 voor in 2017 gepleegde overtredingen. Die boete bestaat uit een bedrag van € 9.702,- wegens overtreding van de op het melkveebedrijf rustende mestverwerkingsplicht als bedoeld in artikel 33a van de Meststoffenwet (Msw) en een bedrag van € 7.167,60 wegens overtreding van de op het melkveebedrijf rustende mestverwerkingsplicht in het kader van de Verantwoorde Groei Melkveehouderij (VGM) als bedoeld in artikel 21 van de Msw. Met het besluit van 19 juni 2020 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister de opgelegde boete gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep van het melkveebedrijf ongegrond verklaard.
Overwegingen
3 Op de zitting heeft de minister verklaard dat hij het boetebesluit niet langer handhaaft. Dit betekent dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het College zal het boetebesluit herroepen.
4 Het College zal de minister veroordelen in de door het melkveebedrijf in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.097,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 597,- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting in beroep, 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting in hoger beroep, met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van het melkveebedrijf tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;
herroept het boetebesluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
draagt de minister op het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 714,- (€ 354,- + € 360,-) aan het melkveebedrijf te vergoeden.
veroordeelt de minister in de proceskosten van het melkveebedrijf tot een bedrag van € 4.097,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. F.J.J. van West de Veer